Inburgering

Een baan tijdens het inburgeren: werkt het echt?

Een baan hebben en ondertussen inburgeren en de taal leren: het klinkt logisch. Toch blijkt het in de praktijk behoorlijk ingewikkeld om werk en inburgering goed op elkaar af te stemmen. Startbanen moeten daar verandering in brengen. Tachtig gemeenten gaan ermee aan de slag.

Het lijkt zo eenvoudig. Een krappe arbeidsmarkt, werkgevers in allerlei sectoren die om mensen zitten te springen en veel statushouders die graag aan het werk willen. Een plus een is twee? Zo simpel is het nog altijd niet. De arbeidsparticipatie van statushouders blijft een hardnekkig vraagstuk, ondanks de grote motivatie van veel nieuwkomers om zo snel mogelijk in Nederland aan de slag te gaan. Na afronding van de inburgering heeft 51 procent van de statushouders een baan, blijkt uit cijfers van het CBS. Tijdens de inburgering werkt 25 procent. Dit is een verbetering ten opzichte van de vorige inburgeringswet, maar het kan nog beter.

Met de komst van de Wet inburgering 2021 verschoof de ambitie naar ‘snel en volwaardig meedoen vanaf dag één’. Inburgeraars moesten niet eerst jaren de taal leren en dan pas gaan meedoen, was de gedachte, want wachten en stilzitten doet niemand goed. Sindsdien is overal in het land volop geëxperimenteerd met zogeheten duale trajecten waarbij participatie en werk samenkomen. Tegelijkertijd de taal leren, werken en soms ook voor de kinderen zorgen: dat is een hele puzzel. Niet alleen voor de inburgeraar zelf, die soms óók nog wakker ligt door oorlogstrauma’s of zich zorgen maakt over familie in het thuisland. De inrichting van een mooi passend duaal programma vraagt ook veel kunst en vliegwerk van betrokken werkgevers, taalscholen en de vele professionals bij gemeenten die dagelijks met integratie en participatie bezig zijn.

Begrippenlijst

In dit artikel komen verschillende begrippen aan bod rond asiel, inburgering en werk. Hieronder leggen we de belangrijkste termen kort uit.

  • Nieuwkomer: een brede term voor iemand die naar Nederland komt om hier voor langere tijd te wonen.
  • Asielzoeker: iemand die zijn of haar land heeft verlaten, in Nederland asiel heeft aangevraagd en nog wacht op een beslissing over de asielaanvraag.
  • Vluchteling: iemand die zijn of haar land is ontvlucht en gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging, bijvoorbeeld vanwege afkomst, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.
  • Statushouder: iemand die een verblijfsvergunning heeft gekregen nadat hij of zij asiel heeft aangevraagd. Een statushouder mag in Nederland blijven en wordt door het COA gekoppeld aan een gemeente voor huisvesting en inburgering.
  • Inburgeraar: een statushouder die volgens de Wet inburgering 2021 verplicht is in te burgeren. Dat wil zeggen: de Nederlandse taal leren en kennismaken met de Nederlandse samenleving, binnen een termijn van in beginsel drie jaar. De gemeente stelt hiervoor een persoonlijk inburgeringsplan op en begeleidt de inburgeraar bij het doorlopen van het traject.
  • Onderwijsroute: een van de drie leerroutes, gericht op jongere inburgeraars die kunnen doorstromen naar het Nederlandse onderwijssysteem.
  • B1-route: de reguliere leerroute, gericht op inburgeraars voor wie taalniveau B1 haalbaar wordt geacht. De meeste statushouders volgen deze route.
  • Z-route (Zelfredzaamheidsroute): bedoeld voor inburgeraars met een lage leerbaarheid, voor wie B1-niveau niet haalbaar wordt geacht (vaak weinig opleiding in het land van herkomst en/of analfabetisme).
  • Duale trajecten: trajecten waarin het leren van de taal en participatie of werk gelijktijdig worden aangeboden. De Wet inburgering 2021 is er expliciet op ingericht om taal en werk ‘in samenhang’ aan te bieden. Ook de Werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt van het ministerie van SZW stimuleert dit soort leerwerktrajecten. Startbanen zijn een specifieke vorm van een duaal traject.
  • Startbaan: geen wettelijke term, maar de naam die het ministerie van SZW vanaf 2024 hanteert voor een betaalde baan die statushouders combineren met hun inburgering, vanaf het moment dat ze in een gemeente komen wonen.

In de baas z’n tijd

Jan Burger, manager Participatie bij het Brabantse WSD, een sociaal werkontwikkelbedrijf voor negen gemeenten, kent dat kunst- en vliegwerk maar al te goed. Nog voordat de Wet inburgering 2021 van kracht werd, ontwikkelde WSD al een eigen traject voor inburgeraars met een grote afstand tot de arbeidsmarkt: ‘Inburgeren in de baas z’n tijd’. Het ging om mensen met weinig opleiding in het land van herkomst, 50 procent was analfabeet. Dit is de groep die later met de nieuwe inburgeringswet werd ondergebracht in de Zelfredzaamheidsroute.

Burger: “Hoe motiveer je deze statushouders om te werken, terwijl ze ook aan het inburgeren zijn? De startbaan was het antwoord op die vraag. Inburgeren onder werktijd.” De inburgeraars kregen meteen een arbeidsovereenkomst. De uren dat ze taallessen of andere workshops volgden, werden doorbetaald. “Dit levert natuurlijk ook meer contracturen op, en dus een snellere uitkeringsonafhankelijkheid.” Omdat WSD beschikt over een eigen taalschool, was zo’n duaal programma goed vorm te geven.

Het ministerie van SZW volgde de ontwikkelingen in Boxtel met grote belangstelling. In 2024 was WSD dan ook een van de deelnemers aan de landelijke proef met startbanen, zoals de naam inmiddels luidde. In totaal kregen zeven gemeenten en arbeidsmarktregio’s toen 9,6 miljoen euro om met de startbanen aan de slag te gaan. WSD, de gemeenten Amsterdam, Eindhoven, Rotterdam en Súdwest-Fryslân en de arbeidsmarktregio’s Groningen-Drenthe en Helmond-De Peel gaven daar elk een eigen invulling aan. De een stelde deelname verplicht, in een andere regio konden inburgeraars vrijwillig deelnemen. Amsterdam richtte zich bijvoorbeeld op statushouders op het azc, in Eindhoven en Helmond-De Peel waren het statushouders in de B1-route.

‘Door de intensieve begeleiding is het een dure oplossing’

Jan Burger (WSD)

Beperkte financiële prikkel

Begin dit jaar werden de resultaten van de proeven bekend. Uit de evaluatie blijkt dat 44 procent van de in totaal zeshonderd statushouders aan het werk is, terwijl slechts 10 procent uitviel. Het merendeel vond parttime werk in de logistiek, bouw, techniek en horeca. Maar, zo waarschuwen de onderzoekers: de financiële prikkel van de startbaan is in de praktijk beperkt. Statushouders kunnen vanwege de inburgeringsplicht maar een beperkt aantal uren per week werken, meestal zo’n 24 uur. Daardoor stromen zij niet volledig uit de bijstand en levert werken netto maar weinig extra inkomen op.

Voor statushouders die nog in een azc verblijven, loont parttime werken vaak helemaal niet. Dat komt door de zogeheten REBA-regeling: van hen wordt een eigen bijdrage voor de opvang gevraagd die kan oplopen tot 75 procent van hun inkomen. Deelnemers noemen daarom vooral motivatie, zingeving, sociale contacten en het sneller leren van de taal als grote voordelen. Kanttekeningen of niet, voor minister Aartsen van Werk en Participatie zijn de resultaten reden om de aanpak uit te breiden naar tachtig gemeenten in het hele land (zie het interview op pagina 6, red.). Hij wil de komende vier jaar 75.000 meer nieuwkomers aan het werk hebben. Eind september adviseerde de Sociaal-Economische Raad ook om nieuwkomers en statushouders zo vroeg mogelijk naar werk te begeleiden, met aandacht voor hun talenten en ontwikkeling.

‘Dubbele boodschap kabinet helpt niet’

Aan de slag vanaf dag één. Het klinkt directeur Wilma Roozenboom als muziek in de oren. Zij is directeur van Refugee Talent Hub, het werkgeversinitiatief dat al tien jaar lang nieuwkomers en werkgevers bij elkaar brengt. De afgelopen jaren hielp Refugee Talent Hub meer dan 1.600 nieuwkomers aan duurzaam werk. Via het platform RefugeeWork brengt de organisatie werkzoekende nieuwkomers direct in contact met werkgevers.

Werkleertrajecten vragen om veel afstemming tussen verschillende partijen, weet Roozenboom, maar ze kent genoeg goede voorbeelden. “Neem IKEA, waar inmiddels honderden nieuwkomers hebben deelgenomen aan een leerwerktraject en een groot deel is doorgestroomd naar een betaalde baan. Of Arcadis, waar jaarlijks tussen de vijf en tien nieuwkomers werkervaring opdoen en in veel gevallen daarna in dienst komen.”

Ze benadrukt dat het niet alleen de statushouders zijn die voorbereid moeten worden op de Nederlandse werkvloer, maar dat ook werkgevers ‘refugee ready’ moeten zijn. “Er is nog veel koudwatervrees bij ondernemers. Daarom is het belangrijk dat we hen echt meenemen in het denken over nieuwkomers als onbenut talent. Ook moeten we hen ontzorgen. Denk aan tips en tricks voor een goede onboarding van nieuwkomers en voorlichting over subsidieregelingen.”

Het is goed dat de minister werkgevers oproept oog te hebben voor de talenten van statushouders, benadrukt Roozenboom. “Tegelijkertijd heeft hetzelfde kabinet het vaak over migratie als een probleem en over vluchtelingen als mensen die je liever niet binnen de landsgrenzen hebt. Die dubbele boodschap maakt het lastig. Ook op de werkvloer.”

Leren leren

Bij WSD in Boxtel waren de resultaten van de proef nóg beter, vertelt Burger met enige trots. “Maar liefst 87 procent van de deelnemers is nog steeds aan het werk, 32 procent is volledig uitkeringsonafhankelijk.” Een ander mooi resultaat vindt hij dat veel deelnemers méér uren zijn gaan werken nadat ze de inburgering hadden afgerond. De grootste verandering zat voor hem in de deelnemers zelf. Ze kregen gedurende het traject meer zelfvertrouwen en meer motivatie. “Mensen hebben echt enorme stappen gemaakt.”

Zijn de startbanen dan inderdaad de heilige graal waar zo lang al naar wordt gezocht? Burger tempert meteen al te hoge verwachtingen. “In de Z-route moeten we achthonderd taallesuren geven in een tijdsbestek van drie jaar. Daaromheen moet het werk georganiseerd worden. Dat vraagt veel van een inburgeraar én een werkgever. Wil je fulltime werken, dan ben je als taalschool eigenlijk verplicht om avondlessen te organiseren. Maar wat doet dat met de belastbaarheid van de inburgeraar? In hoeverre beklijft de taal dan nog? En wat doet dit met de concentratie en kwaliteit van werken? Taal en werk moeten samen optrekken, maar de huidige inburgeringsverplichtingen maken dat lastig.”

Startbanen vragen om zeer intensieve begeleiding, benadrukt Burger. WSD heeft tolken, vertaalcomputers en opstartcoaches in eigen taal en cultuur in huis. Ook de begeleiding bij externe werkgevers kost veel tijd. Hij somt op: “Het gaat niet alleen over het leren van de taal en werknemersvaardigheden. Nee, we hebben het over het hele concept van werken in Nederland, met al die rechten en plichten, net zoals het hele onderwijssysteem. Het leren leren an sich is soms al een hele uitdaging.”

Dan zijn er ook nog culturele verschillen. Burger noemt het voorbeeld van een Eritrese deelnemer die zich ziek meldde. “Hij liet zijn baas toen weten dat hij zijn broer wel zou sturen. Bij een reguliere werkgever zou zoiets op veel onbegrip stuiten. De coach in eigen taal kon dit soort culturele misverstanden beter duiden.” Hij vervolgt: “Door de intensieve begeleiding en de uren die niet allemaal kunnen worden doorberekend, zijn startbanen ook een dure oplossing. Er zijn daarom ook nog wel vraagtekens bij de financiële houdbaarheid van dit soort trajecten.” Die vraag is extra relevant nu de tachtig gemeenten die startbanen gaan inrichten, het met minder overheidssteun moeten doen dan de vorige zeven. Voor de uitbreiding is nu slechts 5,8 miljoen euro uitgetrokken.

‘Over wat voor werk hebben we het? Wat is de kwaliteit ervan?’

Jaco Dagevos (Erasmus Universiteit)

Grote disclaimer

Jaco Dagevos, bijzonder hoogleraar Integratie en Migratie aan de Erasmus Universiteit en senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, doet al jaren onderzoek naar de integratie van nieuwkomers. Hoe kijkt hij naar de startbanen? “Laten we vooropstellen dat het een goed idee is om werk centraler te stellen binnen de inburgering. Werken draagt bij aan de integratie, dat is bekend. Maar bij Work First hoort wel een stevige disclaimer: over wat voor werk hebben we het? Wat is de kwaliteit ervan?” Het verhaal van een inburgeraar in Rotterdam staat hem nog helder voor de geest. “Die man stond achter de lopende band in een pindakaasfabriek. Hij had geen contact met collega’s of klanten en hij leerde de taal niet. ‘Hier leer ik helemaal geen nieuwe vaardigheden’, zei hij.”

Dagevos ziet in de praktijk dat werk en inburgering elkaar juist vaak in de weg zitten in plaats van elkaar aanvullen. Taalaanbieders krijgen bijvoorbeeld te maken met lege klassen en werkgevers met medewerkers die ineens naar taalles moeten. “Met als gevolg dat mensen lessen missen door het werk, de taal leren op de achtergrond raakt en het tempo uit de inburgering verdwijnt. Maar de termijn van drie jaar blijft wel gewoon staan.”

Eigenlijk is het systeem – de Participatiewet en de Wet inburgering – helemaal niet ingericht op de duale aanpak van een startbaan, stelt de hoogleraar. “Die voortdurende spanning tussen die twee wetten, tussen die twee werelden, komen we in ons onderzoek in Rotterdam ook tegen. Deelnemers worden geconfronteerd met verschillende verwachtingen. Het is afhankelijk van de gemeente, maar soms ook van de individuele consulent, waar de nadruk op wordt gelegd. De ene consulent zit vooral op uitstroom naar werk, geen bijstand meer. Terwijl een andere collega juist meer waarde hecht aan een betere inburgering en uitstroom naar duurzaam werk.”

Nieuwe route

Toch betekent dit niet dat Dagevos geen voorstander is van de startbanen. “We weten al heel lang dat het creëren van duale trajecten ingewikkeld is. We zoeken naar manieren om dit op te schalen. Tachtig gemeenten gaan hier nu mee aan de slag, leren daarvan en dat is heel waardevol.” Zijn advies: “Zorg ervoor dat de P-wet en inburgering elkaar niet bijten, elkaar niet beconcurreren, maar elkaar juist versterken. En dat moet je goed regelen.” Hij pleit voor een nieuwe B1-route ‘Dualiteit’ in het inburgeringsstelsel. “Dáár horen de startbanen thuis. Naast de bestaande B1-route waar de focus ligt op het leren van de taal. Met het instellen van twee B1-routes moet een expliciete afweging worden gemaakt wat voor wie de juiste keuze is: Work First of Settle First?”

Uit de evaluatie van de startbanenproef blijkt ook dat het lastig is om werkgevers te vinden die willen meedoen. Moeten er vanuit Den Haag ook niet meer verplichtingen bij ondernemers worden gelegd? Daar is Dagevos voorzichtig in. “Als er sprake is van dwang, gaat de discussie daar vooral over. Mijn beeld is dat veel werkgevers een bijdrage willen leveren, maar dat ze dan zoveel mogelijk ontlast moeten worden. Zij willen ‘handjes’ en niet te veel complex gedoe.”

‘Werk geeft betekenis en zelfvertrouwen’

Mohammad Ali Roshan (44) werkte jarenlang als programmamanager bij Oxfam Novib in Afghanistan. In 2022 werd hij met zijn vrouw en vier kinderen door de Nederlandse overheid geëvacueerd. Hij werkt nu als financieel-administratief medewerker bij Divosa. “Al in het azc begon ik met het leren van Nederlandse woorden. Ik wilde de taal zo snel mogelijk leren. Na een half jaar kregen we een huis in de gemeente Gooise Meren en begon ik met de taalcursus; ik heb examen gedaan op B1-niveau. Ik spreek goed Engels en heb ervaring bij internationale organisaties. Toch bleek het niet makkelijk om werk op mijn niveau te vinden, omdat ik nog geen werkervaring in Nederland had. Ik heb veel gesolliciteerd. Uiteindelijk ben ik terechtgekomen bij het UAF, de stichting voor vluchtelingenstudenten. Daar kreeg ik de kans om mijn praktijkdiploma loonadministratie te halen. Dat was moeilijk, maar ik heb het eerste deel gehaald. Ik ben nog steeds aan het studeren.

Als je net in Nederland bent, dan ervaar je een cultuurshock. Alles is anders. Veel thuiszitten maakt dat je vooral denkt aan wat je bent kwijtgeraakt. Het is beter om meteen de taal te leren, aan het werk te gaan en een nieuw leven op te bouwen. De combinatie van werken en leren zoals bij startbanen vind ik heel goed. Een taal leer je niet met een paar uurtjes les per dag. Op het werk oefen je met collega’s, die je kunnen verbeteren als je fouten maakt.

Een consulent van de gemeente stuurde me deze vacature door. In mei ben ik begonnen. Ik ben blij met deze plek. Werk geeft betekenis en zelfvertrouwen. Ik heb weer regie over mijn leven. Ook voor mijn kinderen vind ik dat heel belangrijk. Door hard te werken, heb ik deze plek gevonden en nu is papa een voorbeeld voor anderen.”

WSD heeft als opvolger van ‘Inburgeren in dienstverband’ gekozen voor ‘Taalles op de werkvloer’, een directe combinatie tussen de taal leren en werken. De taallessen worden hierbij gegeven door professionele NT2-docenten, met ondersteuning van collega’s op de werkvloer. Burger: “Hiermee bouwen we een programma dat inburgeraars klaarstoomt voor een leven in Nederland. Een leven waarin werk en taal allebei belangrijk zijn.” Hij herkent de botsing tussen Participatiewet en de Wet inburgering in de dagelijkse praktijk. “Als jij in je eentje de post bezorgt, ben je niet bezig met taal. Maar je bent wel uit de uitkering. Werkconsulent blij, inburgeringsconsulent niet. Daar moet een gezamenlijke visie boven hangen. Binnenkort gaan wij met onze gemeenten om tafel om juist dit te bespreken.”

Reacties (0)

Plaats een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Velden met * zijn verplicht.