Lotte Meerhoff (27) zit sinds vier jaar in de gemeenteraad van Eindhoven (250.000 inwoners) voor GroenLinks-PvdA.

Ze staat ook deze verkiezingen weer op de kandidatenlijst. “De gemeenteraad is de plek waar je het verschil kunt maken. Ik vind niets mooier dan om dat te doen voor de stad waar ik bijna mijn hele leven heb gewoond. Ik houd me in de raad bezig met klimaat en energie en met armoede en schulden.

Ik ben de raad ingegaan met het idee dat ik misschien niet de hele wereld kan veranderen, maar dan tenminste toch Eindhoven. De afgelopen vier jaar heb ik geleerd dat politiek pieken en dalen kent. Soms baal ik als iets niet lukt, terwijl het zo nodig was. En toch, als ik dan na vier jaar terugkijk, zie ik dat we wel dingen in beweging hebben gezet. Ik ben bijvoorbeeld trots dat we het voor elkaar hebben gekregen dat mensen op proef mogen samenwonen, zonder meteen hun bijstandsuitkering te verliezen. Sommige mensen − met name jongeren − durfden dat niet aan, want als je uit elkaar gaat, duurt het een tijdje voor je weer een uitkering krijgt. Het is ook gelukt dat jongeren onder de 27 met een uitkering iets mogen bijverdienen en daarvan een deel mogen houden. Dat gold eerst alleen voor mensen van boven de 27. Je kunt dus echt iets bereiken in de gemeentepolitiek.”

‘Misschien niet de wereld veranderen, maar wel Eindhoven’

Wisselwerking

“In het dagelijks leven doe ik de public affairs en woordvoering voor het Armoedefonds, onder andere richting het ministerie en de Tweede Kamer. Er is een mooie wisselwerking tussen mijn werk en mijn raadslidmaatschap: lokaal zie je waar landelijke regelingen niet passen of te laat landen. Zo was het landelijke noodfonds voor energiearmoede al snel op. Last minute ging er nog een klein extra potje naar gemeenten. Dat leverde veel stress op bij de gemeente, want je moet halsoverkop bekijken wie je kunt steunen, ook nog eens met te weinig geld. Als ik zelf beleid mocht maken, zou ik meer ervaringsdeskundigen aannemen bij de gemeente. Zij weten beter hoe beleid uitwerkt achter de voordeur. Zij kunnen mensen ook aanmoedigen om de stap naar hulp te zetten, omdat ze in dezelfde situatie hebben gezeten. Ik zou ook vast beleid willen maken van de hulp van Stichting Bouwdepot, die ervoor zorgt dat jongeren in kwetsbare situaties een jaar lang een vast inkomen krijgen. Dat geeft rust om aan hun toekomst te bouwen. Uit onderzoek blijkt dat dat gemeenten zelfs geld oplevert, omdat deze mensen een stap vooruitzetten en na dat jaar minder hulp nodig hebben. Het raadswerk kost mij 20 tot 30 uren per week, naast mijn baan van 32 uur. Ja, dat zijn volle weken. Maar op beide plekken vind ik dat ik het verschil kan maken.”

Tim Meindertsma (26) is kandidaat-raadslid voor het CDA in Waadhoeke (Noordwest-Fryslân, 47.000 inwoners).

“Door mijn werk bij welzijnsorganisatie Connexa heb ik regelmatig contact met de gemeente en raakte ik steeds meer geïnteresseerd in hoe beleid tot stand komt. Ik werk voor Connexa in Harlingen, de buurgemeente van Waadhoeke. Ik houd me bezig met welzijnswerk voor ouderen en met mantelzorg. De rode draad in mijn werk is vergrijzing; dat sluit aan bij mijn opleiding als toegepast gerontoloog. Vergrijzing is de grote uitdaging die op Noordwest-Fryslân afkomt. Gemeentelijk beleid kan hierin verschil maken: welke soort woningen bouw je, hoe richt je wijken in, hoe houd je het verenigingsleven overeind? Vergrijzing en welzijn zijn domeinoverstijgende thema’s: veel onderwerpen waarmee een gemeente zich bezighoudt, hebben óók met welzijn te maken. Juist daarom is het gemeenteraadswerk mij steeds meer gaan interesseren. Ouderen hebben vaak een individuele Wmo-hulpvraag – bijvoorbeeld een taxivoorziening of traplift – maar de gemeente moet oog hebben voor de bredere context van zo’n vraag. Zelf woon ik in een dorp met 270 inwoners. Daar is geen enkele voorziening meer, maar wel een actief verenigingsleven. We helpen elkaar, zodat we prettig kunnen blijven wonen. Zo doen dorpsbewoners boodschappen voor mijn buurvrouw. Dat betekent voor haar dat ze daarvoor geen beroep doet op een taxi, dat ze sociale contacten heeft en uiteindelijk langer thuis kan wonen. Sociale cohesie kan dus individuele hulpvragen voorkomen en ook kosten besparen.”

‘Welzijn begint in het dorp, niet in het gemeentehuis’

Verenigingsleven

“In Fryslân is die sociale cohesie uitstekend. Een belangrijke taak van de gemeente is om dat zo te houden. Daarom ben ik blij dat mijn partij aandacht heeft voor mantelzorgers en verenigingen wil ondersteunen die in financiële nood zijn. Het verenigingsleven is heel belangrijk voor de sociale cohesie. Ik ben zelf muzikant bij een vereniging en merk hoe goed dat is voor de sociale samenhang en het welzijn van mensen. Cultuur heeft in mijn ogen ook een belangrijke functie in die sociale context: een kunstzinnige dansvoorstelling is mooi, maar uiteindelijk heeft de gemeenschap meer aan een initiatief als ‘Dansen op recept’ voor mensen met de ziekte van Parkinson of een cognitieve beperking. Het cultuuraanbod moet aansluiten bij wat maatschappelijk relevant is. Het is afwachten of ik in de gemeenteraad kom. In dat geval zal ik iets minder gaan werken om alles behapbaar te houden. Het raadslidmaatschap zie ik dan als een tweede baan, waarvan ik nu nog geen idee heb hoeveel tijd die kost. Ik hoop niet te veel achter de computer te zitten. Liever ga ik in gesprek met de mensen over wie het gaat. Een goed gesprek met een vereniging voor dorpsbelang levert informatie op die minstens zo belangrijk is als beleidsstukken.”

Sophie Koek (41) zit sinds een paar maanden voor D66 in de gemeenteraad van Delft (110.000 inwoners).

Ze houdt zich bezig met veiligheid en cultuur. Voor de gemeenteraadsverkiezingen is ze ook weer verkiesbaar. “In combinatie met mijn werk en gezin vond ik het mooi om op de achtergrond mee te draaien als commissielid, vooral in de voorbereiding van raadsvergaderingen. Maar als er iets moet gebeuren, sta ik vaak vooraan. Dus ja, toen een raadslid vertrok naar de Tweede Kamer, heb ik die opgevolgd. In het dagelijks leven ben ik directeur bedrijfsvoering verslavingszorg bij Brijder en Triora, instellingen voor verslavingszorg. Veel zorgtaken, zeker voor mensen die aan de randjes van de samenleving rondscharrelen, zijn de afgelopen jaren overgeheveld naar het gemeentelijk domein. Als je denkt dat het beter kan, wil je daar in de raadszaal over spreken, want daar wordt het beleid aangepast en vastgesteld. In de raad heb ik bewust geen portefeuilles op het gebied van verslavingszorg, omdat mijn werkgever zorgaanbieder is in dezelfde gemeente. Ik wil alle schijn van belangenverstrengeling voorkomen. Ik stem niet mee over onderwerpen die op mijn vakgebied liggen. Toch kan ik mijn expertise wel regelmatig inzetten. Vanuit mijn werk weet ik bijvoorbeeld hoe belangrijk preventie is. In Delft zijn er onder meer problemen met drugs en zien we ook de landelijke trend rondom bommen aan voordeuren de kop op steken. Het is effectiever om het jeugd- en jongerenwerk te versterken dan om achteraf boeven te vangen, vind ik. In de gemeenteraad kan ik daar de nadruk op leggen.”

‘Ik wil zichtbaar en bereikbaar zijn, ook als het spannend is’

Financiële onzekerheid

“Ook bij de discussie over het bedelverbod kon ik mijn expertise inzetten. Anderen redeneerden: er zijn in acht jaar drie boetes uitgedeeld, dus het bedelverbod is overbodig. Ik bracht in dat zo weinig boetes juist een teken zijn dat de handhavers vaak een alternatief hebben gevonden. Mensen toeleiden naar zorg, bijvoorbeeld. Als je het bedelverbod afschaft, neem je deze handhavers hun gereedschap uit handen. Daarom is het goed dat het blijft bestaan. Verslaving is een heel nare ziekte. Vroegsignalering en preventie zijn cruciaal, maar die staan onder druk door financiële onzekerheid bij gemeenten. Ik heb er begrip voor dat er niet altijd maar meer geld is. Laten we in ieder geval een goed gesprek hebben over wat nodig is en hoe we kunnen werken vanuit vertrouwen. Dat levert meer op dan een lobby om extra geld. Raadslid zijn geeft mij veel energie. Maar ik heb ook mijn bedenkingen. Mijn telefoonnummer staat online, ik wil zichtbaar en bereikbaar zijn. Vrouwen – zeker als ze van D66 zijn – kunnen slachtoffer zijn van haatberichten. Ik heb dat nog niet meegemaakt, maar denk er wel over na. We moeten er met elkaar alert op zijn. Gelukkig is onze raad een prettige werkomgeving. We spelen nooit op de persoon.”