Er is een disbalans tussen taken, bevoegdheden en middelen van gemeenten, schreef de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) in 2025 in het rapport ‘Disbalans’.

Vincent Janssen van adviesbureau Berenschot onderschrijft dat beeld. Hij adviseert gemeenten bij onder meer bezuinigings- en investeringsvraagstukken. “Gemeenten krijgen wettelijk verplichte taken, maar onvoldoende geld vanuit Den Haag. Tegelijk ontbreekt de vrijheid om eigen beleidskeuzes te maken. Ze hebben dus weinig sturingsmogelijkheden, terwijl ze wél het financiële risico lopen. Daarin zit de disbalans.”

Op papier lijkt de financiële situatie van gemeenten behoorlijk gezond. In de BDO-Benchmark Nederlandse Gemeenten 2026 scoren ze gemiddeld een 8,4, tegenover een 7,6 vorig jaar. Samen hebben ze zo’n 43 miljard euro eigen vermogen en de schulden zijn vaak relatief laag. Toch is er reden tot zorg, zegt Marc Steehouwer, branchevoorzitter overheid bij accountancykantoor BDO. “70 tot 75 procent van het gemeentebudget komt van het Rijk. Tegelijkertijd legt het Rijk gemeenten sinds de decentralisaties van 2015 steeds meer structurele én nieuwe, vaak urgente taken op, zoals de vluchtelingenopvang en de afhandeling van de kindertoeslagaffaire. Hoewel daar extra incidentele financiering tegenover staat, raakt daardoor bijvoorbeeld wel structureel onderhoud aan schoolgebouwen in de verdrukking. De ambtelijke capaciteit groeit namelijk niet zomaar mee met het groeiende takenpakket. De uitvoeringskracht van gemeenten neemt dus af.”

Vertekend beeld

Peter Verheij, oud-wethouder en lid van de ROB, bevestigt dat de cijfers het beeld vertekenen. “Gemeenten houden op hun jaarrekening soms geld over. Maar dat is vaak omdat incidenteel geld te laat binnenkomt om datzelfde jaar uit te geven. Daarnaast spelen onnauwkeurige begrotingen een rol.” De rapportcijfers van individuele gemeenten uit het BDO-rapport lopen uiteen van een 4 tot een 10. Ook die cijfers vertellen niet altijd het hele verhaal. Steehouwer: “De groeigemeente Urk krijgt bijvoorbeeld een 4. Urk investeert fors in woningbouw en voorzieningen en leent daarvoor geld. Dat is een bewuste strategie, maar in de benchmark lijkt de financiële positie daardoor zwakker.”

Steehouwer vervolgt: “Ongeveer 70 procent van de gemeenten verwacht de komende jaren een tekort van in totaal 3 tot 4 miljard euro. De overige 30 procent denkt ongeveer 1,5 miljard euro over te houden. Goed scorende gemeenten rekenen soms met te lage kosten voor bijvoorbeeld inflatie, jeugdzorg of maatschappelijk vastgoedonderhoud. Gemeenten die wél realistisch begroten, krijgen regelmatig een lager cijfer.” Hoewel gemeenten reserves hebben, is het onverstandig om die aan te spreken, aldus Steehouwer. “Vergelijk het met een spaarrekening. Structurele kosten moet je dekken met structurele inkomsten. Reserves zijn bedoeld om risico’s op te vangen, niet om structurele tekorten te dichten, want anders is die spaarrekening op een dag leeg.”

Preventieparadox

Een van de grootste financiële knelpunten is de jeugdzorg. Steehouwer noemt dit een stelselprobleem. “Externe zorgaanbieders bepalen voor ongeveer de helft hoeveel jongeren een indicatie krijgen, maar de rekening komt bij gemeenten terecht. Voor gemeenten is dit een open-einderegeling. Het beroep op de jeugdzorg is bovendien sterk toegenomen. Tien jaar geleden had ongeveer 1 op de 25 jongeren een indicatie. Nu is dat circa 1 op de 6 of 7. Soms gaat het om extreem dure trajecten. Zo moest een gemeente onlangs 1,2 miljoen euro per jaar betalen voor de zorg van één jongere. Een paar van zulke gevallen en je zit meteen in het rood.”

Gemeenten kunnen een plafond afspreken met zorginstellingen, maar dat leidt al snel tot wachtlijsten. “Een lastig politiek-maatschappelijk dilemma”, zegt Steehouwer, die de jeugdzorg dan ook ‘dweilen met de kraan open’ noemt. Janssen: “Het idee achter de decentralisaties was dat investeren in preventie uiteindelijk de zorgkosten zou verlagen. Maar dat effect zien we nauwelijks terug.” Berenschot-adviseur Arne Wijnands spreekt over de preventieparadox. “Meer aanbod leidt tot meer vraag. Het moet weer normaler worden dat mensen en gezinnen problemen zelf oplossen. De overheid is er alleen voor extreme gevallen, maar dat is vanuit de huidige wetgeving lastig te vertalen naar lokaal beleid.”

Politieke knoop

Door de vergrijzing wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) naar verwachting in de toekomst het grootste financiële probleem. Janssen: “De politiek ontkomt niet aan lastige keuzes. De Wmo is nu voor iedereen beschikbaar. Heb je bijvoorbeeld een rollator nodig, dan krijg je die van de gemeente, ongeacht je inkomen. Dat is op termijn financieel onhoudbaar, alleen durft niemand die politieke knoop door te hakken.” Volgens hem zijn er nu drie opties. “Het Rijk gaat meer betalen, hogere inkomens krijgen minder recht op voorzieningen of gemeenten krijgen ruimte om zelf een eigen bijdrage te bepalen.”

‘Gemeenten worden een soort uitvoeringsfilialen – en zo heeft Thorbecke het niet bedoeld’

Over de Participatiewet in Balans zijn de meningen verdeeld. Verheij ziet ook hier een structureel probleem. “De wet zegt dat het Rijk nieuwe taken moet financieren, maar dat legt geen extra geld bij. Het Rijk moet óf meer geld bijleggen, óf minder eisen stellen, óf gemeenten meer beleidsvrijheid geven. Nu gebeurt geen van drieën.” Wijnands ziet het anders en vindt de situatie minder nijpend dan bij de jeugdzorg en Wmo. “Het budget knelt, maar gemeenten hebben hier ook meer beleidsvrijheid. De loonkostensubsidie bijvoorbeeld kunnen ze optimaler benutten.”

Ook de Wet inburgering legt druk op de gemeentelijke financiën. In 2024 maakten gemeenten ongeveer 161 miljoen euro aan uitvoeringskosten, terwijl zij via het gemeentefonds slechts 114 miljoen ontvingen. Dat verschil ontstond doordat er meer inburgeraars waren dan verwacht en trajecten duurder uitvielen. “Gemeenten hebben weinig mogelijkheden om dat bij te sturen”, zegt Wijnands. “De instroom is een autonome ontwikkeling, maar extra kosten moeten gemeenten wel zelf opvangen.”

Volgens Janssen kan de asielopvang ook positieve financiële gevolgen hebben. “Gemeenten die extra opvanglocaties openen of meer statushouders opvangen, kunnen daarvoor via de spreidingswet een vergoeding krijgen. Soms houden ze daar zelfs geld aan over.” Verheij pleit voor meer overzicht. “Dit wordt al snel een platte gelddiscussie. Maar wat zit eronder? Gaat het om hogere aantallen mensen? Zijn de kosten gestegen? Doen gemeenten meer dan wettelijk vereist? Ontrafel dat systematisch en monitor het structureel in een helder systeem. Dan kun je een inhoudelijk gesprek voeren.”

Specifieke uitkeringen

Een belangrijk punt van kritiek is de exponentiële groei van het aantal specifieke uitkeringen (SPUK’s). “Sinds 2010 is het aantal SPUKs gestegen van vrijwel 0 naar ongeveer 180”, zegt Verheij. “Daardoor hebben gemeenten steeds minder bestedingsvrijheid. Ze bepalen maar zo’n 20 procent van hun begroting zelf; de rest ligt wettelijk nagenoeg vast.” Door de stapeling van wettelijke taken staan lokale ambities steeds vaker onder druk. Steehouwer: “Het schrappen van oud, irrelevant beleid is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is ook moeilijk om voorzieningen af te bouwen. Een zwembad sluiten bijvoorbeeld ligt politiek gevoelig, zeker in verkiezingstijd.”

Soms dragen ambtenaren en wethouders zelf bij aan de groei van het aantal SPUK’s, zegt Verheij. “Zij krijgen liefst een SPUK, aangezien het geld dan is afgeschermd van andere beleidsterreinen. Maar op die manier word je een soort uitvoeringsfiliaal van het Rijk – en zo heeft Thorbecke het niet bedoeld. Gemeenten zouden minimaal 30 tot 35 procent van hun taken zelf moeten bepalen. Ze vormen immers een autonome bestuurslaag waarvoor mensen naar de stembus gaan.” Steehouwer is fan van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. “Eén zak geld waarmee gemeenten zelf prioriteren biedt meer flexibiliteit én voorspelbaarheid. Dit maakt het ook gemakkelijker om kloppend te begroten. Bij SPUK’s hangt de hoogte van de uitkering immers af van de gemaakte kosten.”

‘Het is gênant, maar de Rijksoverheid weet niet hoe dit nou precies in elkaar zit’

Onder de financiële discussie ligt volgens de experts een fundamenteel democratisch probleem. Janssen: “Nederlandse gemeenten hebben een klein eigen belastinggebied en zijn te afhankelijk van geld uit Den Haag. Dat creëert een soort schijnzelfstandigheid.” “Als gemeenten vooral uitvoeren wat het Rijk vraagt, dan worden ze een soort uitvoeringsloket en kun je de lokale politiek zowat opheffen”, stelt Steehouwer onomwonden. Janssen noemt twee mogelijke oplossingen: meer eigen belastingmiddelen en een herziening van het takenpakket. “We zijn toe aan een nieuwe blauwdruk voor lokaal Nederlands bestuur, zodat we niet overal knip- en plakoplossingen hoeven toepassen in een poging de boel een beetje te corrigeren.”

Volgens ROB-lid Verheij zijn taken, middelen, beleidsvrijheid en risicoverdeling de afgelopen twintig jaar ‘op één grote hoop gegooid’. “Sommige taken zijn scherp gedefinieerd, maar gefinancierd uit de algemene uitkering. Andere taken zitten in een SPUK, met wel óf geen terugbetaalverplichting. Qua risicoverdeling is nauwelijks iets afgesproken. Het is een ratjetoe van constructies, waardoor je door de bomen het bos niet meer ziet.” Wijnands: “De Tweede Kamer heeft het kabinet opgeroepen alle gemeentelijke taken en middelen nu eens exact in kaart te brengen. Drie opeenvolgende ministers weigerden dat. Waarom? Tja, omdat ze het niet kúnnen. Het is gênant, maar de rijksoverheid weet gewoon niet hoe dit nou precies in elkaar zit. Ik herinner me een Kamerdebat waarin de minister dat letterlijk toegaf.”

Verheij pleit voor een grondige historische reconstructie van het systeem. “Breng taken, middelen en beleidsvrijheid vervolgens samen in één overzicht en onderhoud dat structureel.” Janssen verwacht niet dat zo’n exercitie binnenkort plaatsvindt. “Het kabinet heeft grotere dossiers op tafel liggen, zoals defensie, klimaat en stikstof. Bovendien is zo’n analyse extreem complex. De interpretatie ervan zou waarschijnlijk uitmonden in een eindeloze discussie tussen Rijk en gemeenten.” Ondanks de chaos is het aan gemeenten om geloofwaardig te blijven in hun roep om meer geld. Niet voor niets wordt de VNG in de Haagse wandelgangen ook wel Vereniging Nooit Genoeg genoemd. “Een focus op taakverdeling én transparante, kloppende begrotingen zijn productiever dan een drammerige welles-nietesdiscussie over geld”, besluit Janssen. “Stap uit die slachtofferrol. En doe wat je belooft – of beloof wat minder.”