Aan het einde van het gesprek zegt ze iets opvallends. Roxane van Iperen, die tot dan toe onafgebroken heeft gefulmineerd tegen de uitwassen van de privatisering,

de teloorgang van de democratie en de mythe van de gelijke kansen in Nederland, weet het ook allemaal niet zo goed. “Ik houd me dag en nacht bezig met deze onderwerpen, ik zoek, lees en studeer. Maar tegelijkertijd is er altijd de gedachte: klopt het eigenlijk wel wat ik zeg?” En dat terwijl ze uiterst stellig overkomt. “Dat heb ik gaandeweg geleerd. Vroeger was ik veel genuanceerder, omdat ik bang was voor kritiek. Maar de grap is dat je dan geen deuk in een pakje boter slaat. Om reacties uit te lokken en mensen te dwingen tot nadenken, moet je dus wel af en toe een flinke piketpaal slaan. Met het risico dat je later zegt: dat was geen beste paal.”

De loopbaan van Van Iperen volgde een op het eerste gezicht wat ongebruikelijk pad. Na haar rechtenstudie werkte ze in de advocatuur en het bedrijfsleven. Daarnaast publiceerde ze artikelen over juridische onderwerpen. Langzaamaan kreeg het schrijven de overhand en inmiddels is ze succesvol journalist en schrijver. Haar piketpalen over macht, politiek en samenleving slaat ze onder meer in de Volkskrant en Vrij Nederland.

Vorig jaar hield je de Machiavelli-lezing, waarin je de figuur van de ‘liegende prins’ introduceerde. “In tijden van ophef en onrust hebben mensen boven alles behoefte aan stabiliteit. Dan staat er een nieuwe leider op, die zegt: ‘Geef mij de macht en ik ga het voor jullie regelen. Misschien is het nodig om her en der wat democratische verworvenheden in te leveren, maar hee, dan leid ik jullie wel terug naar rust, grootsheid en welvaart.’ Er zijn twee manieren om met dit soort leiders om te gaan. Eén is: voortdurend je verontwaardiging uiten over hun gedrag en steeds roepen hoe dom en hoe slecht het is om op hen te stemmen. Maar daarmee bestendig je, ondanks vaak moreel hoogstaande motieven, de tweedeling in de samenleving. Het is constructiever om je niet alleen te richten op de liegende prinsen, maar vooral ook op het versterken van de fundamenten van de democratie. In de lezing zeg ik het zo: in een stevig huis belt niemand een louche klusjesman.”

Roxane van Iperen (1976)

werkte als jurist en bedrijfsadviseur. In 2016 verscheen haar eerste boek, ‘Schuim der aarde’, dat de Hebban Debuutprijs won. Twee jaar later volgde ‘’t Hooge Nest’, waarvan 175.000 exemplaren zijn verkocht. Dit boek werd bekroond met de Opzij Literatuurprijs. Van Iperen schrijft columns en artikelen voor diverse media. In maart verschijnt van haar hand het Boekenweekessay 2021.

‘De opgave is om met jouw individuele gedrag de zwakke punten van de organisatie aan te kaarten’
Wat zijn die fundamenten? “De pijlers onder de democratie en de rechtsstaat, zoals een onafhankelijke rechterlijke macht, pers,

wetenschap en de garantie dat de belangen van alle burgers worden behartigd. En de pijlers onder de verzorgingsstaat, zoals een fatsoenlijk belastingsysteem en het recht op onderwijs, huisvesting, volksgezondheid en sociale zekerheid – eigenlijk alles waardoor je mensen behoedt voor een vrije val. Bijna veertig jaar weloverwogen beleid heeft deze sociale pijlers onttakeld. Hele bevolkingsgroepen staan dus op steeds wankeler grond en tegelijk stagneert het besteedbaar inkomen van gezinnen. Ondanks de economische groei staat dat al sinds 1977 op hetzelfde niveau, terwijl de winstgevendheid van bedrijven alleen maar is toegenomen.”

Er ís toch voor iedereen een financieel vangnet? Onze ziekenhuizen en scholen behoren tot de beste van de wereld en Nederlanders zijn – afgezien van corona – hartstikke gelukkig. “Zeker, zo kan je het ook benaderen. Dat doe ik zelf ook altijd als ik bijvoorbeeld in Brazilië of op de Westelijke Jordaanoever ben geweest. Nederland is een topland, denk ik dan als ik terugkom. Maar als je sec naar de cijfers kijkt, dan kun je niet anders dan constateren dat de verzorgingsstaat de afgelopen decennia is uitgekleed en dat de overheid belangrijke taken heeft geprivatiseerd. Dat is wereldwijd gebeurd: de val van de Berlijnse Muur in 1989 was het symbolische startpunt van de globalisering, vrije markt, privatisering en deregulering. Het heersende idee werd dat regels en instituties mensen en bedrijven niet mochten hinderen bij de verwezenlijking van hun plannen.

Overigens ben ik niet iemand die marktwerking en globalisering per definitie slecht vindt. Ik besef dat het sociale stelsel ook in de toekomst houdbaar moet blijven, dat lokaal kopen mooi klinkt, maar in de praktijk voor de meeste mensen onbetaalbaar is en dat de vrije markteconomie miljoenen mensen overal ter wereld uit de armoede heeft getrokken. Nee, ik heb het over de uitwassen: de afbrokkelende zekerheden in werk en inkomen, stijgende huren en huizenprijzen, wachtlijsten en bureaucatie in de (jeugd)zorg, het toenemende aantal daklozen, bibliotheken, muziekscholen en buurthuizen die moeten sluiten, de ontmantelde sociale advocatuur, …”

Hoe kunnen we de fundamenten van de democratie verstevigen? “Door te zorgen dat burgers

kunnen bouwen op de mensen en organisaties aan wie zij grote delen van hun macht hebben overgedragen. Op de overheid, kortom. Onbetrouwbaarheid en willekeur zijn de perfecte ingrediënten voor de bereidheid van een volk om zijn macht te verplaatsen naar een ‘sterke man’. Instituties kunnen dit zelf niet doen, dit kunnen alleen de mensen die er werken. Inderdaad, ook de beslissers in het sociaal domein bij gemeenten. Aan de ene kant staan beleid en het collectief, aan de andere kant gedrag en het individu. Het beleid en het collectief kun je als beslisser misschien niet zomaar veranderen, maar je hebt wel altijd je individuele slagkracht in je eigen dossiers en taken. Laat je bijvoorbeeld allerlei verschillende instanties werken in een probleemgezin of zeg je: ík neem verantwoordelijkheid voor dit gezin? Dit is niet simpel hè, want gemeenteambtenaren zijn al overwerkt en iedereen heeft zijn eigen besognes, maar de opgave is om met jouw individuele gedrag de zwakke punten van de organisatie aan te kaarten. Net zo lang tot het beleid – hopelijk – is veranderd.”

Je ergert je aan de ‘culturele antwoorden van de politiek op economische onzekerheid.’ Leg uit. “Dat is een eeuwenoud mechanisme. De financiële crisis, de coronacrisis en alle economische ingrepen die de laatste decennia zijn gedaan, hebben mensen boos of bang gemaakt. Tegen deze achtergrond trekt een aantal politieke partijen de kaart van de migratie. Men zegt: we moeten onze Nederlandse identiteit terugkrijgen, met het Wilhelmus, kerstbomen en paaseieren, we sluiten mensen met andere culturele en religieuze achtergronden buiten, want alleen dan voelen we ons weer sterk. Maar iedereen die ooit een geschiedenisboek heeft ingekeken, weet dat sociale onrust en economische stagnatie een grond vormen voor vreemdelingenhaat – en niet andersom.”

‘Als we echt iets willen doen aan de ongelijkheid, dan moeten we meer in elkaars rugzak kijken’
Politici roepen voortdurend op tot meer solidariteit, schrijf je in een column,

maar de ‘ieder voor zich’-cultuur is juist in Den Haag ontstaan. “Al in de jaren tachtig had het CDA de slogan ‘Van verzorgingsstaat naar zorgzame samenleving’ – wat feitelijk wilde zeggen dat niet de overheid, maar burgers zelf verantwoordelijk waren voor hun welzijn. De participatiesamenleving van het kabinet-Rutte II is ook op die leest geschoeid. Ik vind dat we dat pad moeten verlaten. Het is tijd voor nieuwe solidariteit en een ander mensbeeld bij gemeenten, het UWV en de Belastingdienst. Niet de allerkwetsbaarsten door de hoogste hoepels laten springen, niet mensen pas helpen als ze hun zelfredzaamheid hebben aangetoond. Dat kan pas als ze op stevige grond staan en talloze mensen staan dat niet, die staan de hele dag te wiebelen op zo’n bal met een plank erop die je vroeger had. Omdat ze net gescheiden zijn, analfabeet zijn, de taal niet spreken, hun baan kwijt zijn, ziek zijn, schulden hebben, noem maar op. En ook niet: de fraudebestrijding richten op de kleinste visjes, terwijl het bedrijfsleven ongehinderd aan ‘belastingoptimalisatie’ kan doen.”

Ongelijkheid is een terugkerend thema in jouw werk. “Na de val van de Berlijnse Muur werd ook het idee van de maakbare mens – je hebt de toekomst in eigen hand, je kunt je leven zelf vormgeven – uitgerold. Maar in het echte leven werkt het niet zo: de kansen zijn niet altijd gelijk voor vrouwen, homo’s en mensen met een handicap, kleur of andere sociale achtergrond. Kijk naar de cijfers: hoeveel vrouwen en minderheden werken er in de top van het bedrijfsleven en de overheid? Hoeveel kinderen van laagopgeleide ouders studeren er aan de universiteit?

Zoals de Franse filosoof en socioloog Pierre Bourdieu zei: het leven is geen lineaire weg waarop iedereen stappen kan zetten. De samenleving is een dynamisch geheel van allerlei verschillende velden. Gezin, werk, school, sport, de culturele groep waartoe je behoort. Om invloed te hebben in zo’n veld, heb je kapitaal nodig. Geen geld, maar talig, cultureel en sociaal kapitaal. En in ieder veld creëert de gevestigde orde een levensstijl waarmee ze hun eigen club markeren en hun supioriteit jegens de anderen uiten. Hoe vaak zie je niet dat progressieve mensen die hun mond vol hebben van inclusiviteit en gelijke kansen, alleen kopieën van zichzelf accepteren en muren optrekken voor andere groepen? Als we echt iets willen doen aan de ongelijkheid, dan moeten we niet eisen dat iedereen zich aanpast aan de gevestigde orde, maar meer in elkaars rugzak kijken. Oog hebben voor de kwaliteiten, positie en het kapitaal van de ander.”

Even cynisch: de wereld is nou eenmaal niet eerlijk, wen er maar aan. “Mijn bezwaar

is dat we pretenderen dat het systeem wél eerlijk is. Vroeger was er tenminste nog een bepaalde openheid over het feit dat er ongelijkheid heerste, toen werd gewoon gezegd dat afkomst ertoe deed en dat een dubbeltje geen kwartje kon worden. En juist omdat we nu blijven doen alsof het allemaal heel eerlijk is, ontstaan er ook geen grote emancipatiebewegingen. Kijk naar het beleid van de afgelopen jaren, en toch steeds weer die hoge peilingen voor de coalitie.

Iets anders is dat we er keihard van zijn geworden. Succes komt door hard werken en falen is je eigen schuld – dat is het frame. Zeker mijn generatie is een ‘toereken-generatie’, alles wordt het individu toegerekend. Praat eens met hoogopgeleide, intelligente mensen die zichzelf als mild en ruimdenkend beschouwen, over een bijstandsgerechtigde die z’n afspraak bij de gemeente is vergeten. Wedden dat het hun eerste neiging is om te zeggen: luilak, vind je het gek dat je je uitkering dan niet krijgt?”

Geloof jij nog in sociale mobiliteit in Nederland? “Zelf ben ik opgegroeid in een omgeving waar door omstandigheden niet kon worden gekeken naar wat ik nodig had of wat bij mij paste, waar de startpositie niet heel voordelig was. Dus als ik naar mezelf kijk, zeg ik: ja. Máár: we moeten niet ontkennen dat sommige mensen met een voorsprong binnenkomen in een of meerdere velden in de samenleving. Als je moeder of oma heeft gewerkt, dan ben je als jonge vrouw al een aantal stappen verder dan iemand die dat niet heeft of geen feministen kent. En met een arts als ouder ben je verder dan een migrant die niets snapt van de Nederlandse gezondheidszorg. Daarom is goed onderwijs zo belangrijk, dat is een manier om te zorgen dat kinderen een iets gelijkwaardiger startpositie hebben.”

‘Talloze mensen staan de hele dag te wiebelen op een bal met een plank erop’
Voor het gebrek aan solidariteit en empathie wordt ook wel als verklaring gegeven

dat mensen van verschillende rangen en standen niet meer met elkaar in aanraking komen. “Mwah, ik vraag me af in hoeverre mijn opa en oma nou contact hadden met artsen, advocaten en bestuurders. Het is ook niet zo interessant met wie mensen in hun privéleven omgaan, het gaat erom dat zij elkaar in de publieke ruimte ontmoeten. Dat bijvoorbeeld kinderen niet in een klonenfabriek zitten, maar op een school met allerlei verschillende klasgenoten. Mijn eigen kinderen gaan bewust niet naar school in onze woonplaats Naarden, maar in Huizen. Dat is minder Goois, meer een normaal Nederlands dorp. En natuurlijk zijn het verwende snertjongens, maar ze zien wél dat het niet per se normaal is dat je, bijvoorbeeld, op wintersport gaat, een brede woordenschat hebt op jonge leeftijd of door je moeder wordt herinnerd aan een toets of de voetbaltraining. In een heterogene omgeving kweek je begrip en compassie.”

Op je kinderen heb je dus wel invloed. Daarbuiten ook? “Tegen mijn verwachtingen in werd ‘’t Hooge Nest’ (Van Iperens boek over twee joodse zussen in het verzet in de Tweede Wereldoorlog, red.), waaraan ik zes jaar heb gewerkt, enorm opgepikt. Dat heeft mij wel een groter podium gegeven. Tot op zekere hoogte, hoor. 99 procent van de tijd denk ik: waar ben ik mee bezig, niemand luistert en als ze al luisteren, zijn ze het niet met me eens. Toch zal ik altijd blijven denken en publiceren over het publieke domein. Ook al raakt lang niet alles waar ik over schrijf mijzelf of mijn particuliere leven, het raakt wel mijn bestaan als mens.”