Minister Thierry Aartsen

‘Een baan is beter dan geen baan’

Thierry Aartsen, minister van Werk en Participatie, wil dat zoveel mogelijk mensen een plek vinden op de arbeidsmarkt. Wie die stap niet (direct) kan zetten, mag volgens hem niet worden afgeschreven. ‘Een sterk land laat niemand aan de kant staan.’

Is Thierry Aartsen ook gewoon Thierry Aartsen zonder de beveiligde iPad, chauffeur en status? Of wordt zijn identiteit bepaald door zijn ministerschap? “Zeker niet”, antwoordt hij. “De politiek is vluchtig en dan is het riskant om je hele zelfbeeld aan je functie op te hangen.” Tegelijkertijd is zijn werk voor hem veel meer dan een inkomen. “Net als voor ieder ander is het voor mij een manier om mee te doen. Je ontmoet mensen, ontwikkelt jezelf en levert een bijdrage aan de samenleving.”

VVD’er Aartsen is sinds februari minister van Werk en Participatie in het kabinet-Jetten. Hij bereidt het actieprogramma ‘Nederland Werkt’ voor: een brede aanpak om meer mensen aan het werk te krijgen én ervoor te zorgen dat zij dit duurzaam kunnen blijven doen. Het kabinet wil mensen die nu niet werken beter naar een baan begeleiden, onder meer door hen gericht op te leiden voor sectoren waar veel personeel nodig is. Ook wil het mensen die hun werk dreigen kwijt te raken, eerder helpen bij het vinden van ander werk. ‘Nederland Werkt’ wordt samen met gemeenten, werkgevers, werknemers, UWV en het onderwijs uitgewerkt.

Maar is zo’n programma wel nodig, nu de werkloosheid laag is en de arbeidsproductiviteit in 2025 de sterkste groei in twintig jaar liet zien? Aartsen wijst erop dat er nog altijd veel mensen ongewild langs de kant staan. Hun deelname aan de arbeidsmarkt is volgens hem van belang om personeelstekorten op te vangen, de welvaart op peil te houden en zorg, onderwijs en sociale voorzieningen betaalbaar te houden. Werk heeft daarnaast bredere baten, omdat het bijvoorbeeld zorgafhankelijkheid en criminaliteit voorkomt. Juist in economisch goede tijden is er volgens hem ruimte om het socialezekerheidsstelsel activerender te maken. “De focus verschuift van uitkeringen naar mensen meer, sneller en slimmer te laten werken.”

Hij komt zichtbaar op stoom. “Ook voor de mensen zelf is het superbelangrijk. Werk geeft hun een plek, structuur en het gevoel dat ze ertoe doen. Ook sociaal speelt het een rol. Op verjaardagen krijg je bijvoorbeeld al snel de vraag waar je werkt. Als je dan moet zeggen dat je niets doet, kan dat best pijnlijk zijn. Ik geloof dat iedere vorm van werk en meedoen belangrijk is. Niet iedereen hoeft vanaf morgen veertig uur per week op een bouwsteiger te staan. Voor de een is een betaalde baan de juiste stap, terwijl voor de ander eerst taalles, scholing, begeleiding of vrijwilligerswerk nodig is.”

‘Een startbaan is een opstap – geen eindstation’

Om de komende vier jaar 75.000 meer nieuwkomers aan werk te helpen, stuurde u voor de zomer plannen naar de Tweede Kamer. “In tien jaar tijd steeg het aandeel statushouders dat binnen drie maanden werk heeft van 1 naar 13 procent. Maar uit de cijfers blijkt ook dat na negen jaar in Nederland slechts iets meer dan de helft van de 18- tot 65-jarigen werk heeft. De schellen vielen mij van de ogen toen ik dat las. Veel mensen die uiteindelijk een verblijfsstatus krijgen, zijn gewend om initiatief te nemen, te ondernemen of te werken in hun land van herkomst. Maar hier komen ze in een systeem terecht dat hen inactief maakt. Dat is slecht voor henzelf, slecht voor Nederland en uiteindelijk ook voor het draagvlak voor migratie. Mensen verliezen vaardigheden en motivatie als ze jarenlang moeten wachten. Daarom moeten ze veel eerder gaan werken, meedoen en de taal leren.”

Hoe wilt u dat voor elkaar krijgen? “Ik wil vooral de belemmeringen uit het systeem halen. Nu hebben gemeenten, COA en IND ieder hun eigen regels en verantwoordelijkheden. Die sluiten onvoldoende op elkaar aan. Daardoor kan iemand bijvoorbeeld op dinsdagmiddag moeten werken, maar ook taalles of een afspraak bij de IND hebben. Voor een werkgever werkt dat natuurlijk niet. Ik wil naar een situatie dat iemand vanaf het begin kan werken en dat de inburgering daarop aansluit. De taal moet je zoveel mogelijk op de werkvloer leren. Dit was het idee achter de startbanen: trajecten waarin mensen tegelijkertijd werken en inburgeren. In 2024 zijn zeven pilots begonnen met ruim zeshonderd statushouders in veertig gemeenten. 44 procent van de deelnemers vond via deze aanpak werk in onder meer de bouw en horeca. Taalondersteuning, coaching en een vast aanspreekpunt voor werkgever en werknemer blijken belangrijke succesfactoren. De proef met deze banen gaan we nu uitbreiden.”

Uit de evaluatie van de startbanen blijkt dat het lastig is om werkgevers te mobiliseren. Is het dan niet logisch om statushouders onder de banenafspraak te brengen, zoals voormalig boegbeeld Aart van der Gaag bepleit? “Daar ben ik principieel geen voorstander van. Een statushouder is niet per definitie iemand met een arbeidsbeperking. Mensen beheersen de taal nog niet of komen uit een andere cultuur: dat is iets anders. Het heeft dus mijn voorkeur om de obstakels voor werkgevers op een andere manier weg te nemen: zorgen dat mensen sneller de taal leren, dat werk en inburgering te combineren zijn, diploma’s beter benutten en zorgen voor goede matches met werkgevers. Overigens ben ik niet tegen de banenafspraak als instrument. Integendeel. Het kabinet wil de doelgroep juist uitbreiden naar WW- en WIA-gerechtigden die door hun arbeidsbeperking niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen.”

Voor de eerste proef was 9,6 miljoen euro beschikbaar. Voor de huidige uitbreiding naar dertien pilots in ruim tachtig gemeenten is 5,8 miljoen gereserveerd. Hoe realistisch is dat? “Ik zie de startbanen in de eerste plaats als pilots waarmee we leren wat werkt. De eerste resultaten zijn positief en daarom komt er een volgende tranche. Dat neemt niet weg dat gemeenten voor een reëel uitvoeringsvraagstuk staan. Structurele taken kun je niet alleen met tijdelijke pilots financieren. Daarom moeten we uiteindelijk duidelijkheid geven over capaciteit, verantwoordelijkheden en structurele middelen. Tegelijk wil ik voorkomen dat we één onderdeel van het systeem geïsoleerd bekijken. Als meer mensen gaan werken, levert dat ook elders in het systeem geld op.”

Kansrijke asielzoekers moeten al in de opvang worden gekoppeld aan regionale werkgevers. Daarvoor wilt u in azc’s speciale werkbalies openen voor taal en (vrijwilligers)werk. Wat betekent dat voor gemeenten waar een azc staat? Hun rol wordt groter, maar ze krijgen niet meer mensen en middelen. “De bedoeling is dat nieuwkomers al vóór of aan het begin van de inburgering gewend raken aan werk en de Nederlandse taal. Ik wil deze discussie niet uitsluitend benaderen vanuit de vraag hoeveel extra geld er per maatregel nodig is. In het huidige stelsel zit al veel geld, maar die middelen zijn versnipperd over COA, IND, UWV en bij gemeenten over de Wet inburgering én Participatiewet. Mijn antwoord is dus vooral: kijk wie wat doet, waar en wanneer. Ook werkgevers, uitzendbureaus en de nieuwe regionale werkcentra kunnen daarbij een rol spelen. Sinds maart is er in iedere arbeidsmarktregio zo’n centrum, waar mensen voor verschillende vormen van hulp en dienstverlening terechtkunnen op één plek.”

De VVD was altijd terughoudend om mensen al tijdens de procedure te laten werken of de taal te laten leren. Want als je mensen zonder formele status voorbereidt op een bestaan in Nederland, wek je de verwachting dat ze mogen blijven. Vanwaar deze draai? “Allereerst gaat het niet om iedere asielzoeker, maar om mensen van wie de kans groot is dat ze een verblijfsstatus krijgen. Verder verandert het Europese Migratiepact de situatie. Als de procedures sneller verlopen, wordt het risico kleiner dat iemand jarenlang in onzekerheid zit. Ten derde kunnen we het ons simpelweg niet veroorloven om mensen jaren te laten wachten terwijl ze in principe kunnen werken. Als ik zeg dat mensen zo snel mogelijk aan de slag moeten, dan hoort daar ook bij dat we de opvang stabieler maken. We moeten opvang en inburgering meer als één keten zien. Als mensen eerder weten in welke gemeente ze gaan wonen, kunnen ze eerder beginnen met taal en werk en voorkom je dat ze steeds opnieuw moeten beginnen. Anders vraag je mensen om actief te worden in een systeem dat zelf voortdurend onzekerheid veroorzaakt.”

‘We moeten opvang en inburgering meer zien als één keten’

Worden statushouders zo niet te snel opgesloten in laagbetaalde banen zonder perspectief? Met andere woorden: is een startbaan een opstap of een fuik? “Dat risico moeten we serieus nemen, maar ik vind het geen reden om mensen dan maar helemaal niet te laten werken. Op dit moment is het grootste probleem dat mensen überhaupt geen baan hebben. Mijn motto is: een baan is beter dan geen baan. Maar het moet natuurlijk niet eindigen bij een startbaan. Het is de bedoeling dat mensen vervolgens doorgroeien, opleidingen volgen, de taal leren en werk vinden dat goed aansluit bij hun opleiding en ervaring. Het succes van de aanpak moet ook niet enkel worden afgemeten aan hoeveel mensen een eerste baan vinden, maar ook aan de kwaliteit, duurzaamheid en ontwikkelmogelijkheden van die banen. Daarom is het zo belangrijk dat nieuwkomers in een Nederlandstalige werkomgeving terechtkomen. Dan kan werk niet alleen een inkomen opleveren, maar een opstap worden.”

‘Nederland Werkt’ moet ook voor bijstandsgerechtigden de drempel naar werk verlagen. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 is deze groep steeds complexer geworden – en de arbeidstoeleiding dus ook. “Mensen die relatief eenvoudig naar werk konden worden begeleid, zijn inderdaad vaak al uitgestroomd. Gemeenten houden daardoor vaker mensen over met psychische problemen, een kwetsbare gezondheid, schulden en een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ik erken dat de simpele route naar werk niet voor iedereen bestaat. Mensen die niet meteen een baan kunnen krijgen, moeten ondersteuning krijgen om op een andere, geleidelijkere manier mee te doen, zoals via vrijwilligerswerk of buurtactiviteiten.”

Hoe gaan de nieuwe regels van de Participatiewet in Balans hierbij helpen? “Als je bang bent dat een paar uur werken leidt tot ingewikkelde verrekeningen of terugvorderingen of dat je na een paar maanden werken weer opnieuw de hele aanvraagprocedure moet doorlopen, begrijp ik dat je voorzichtig wordt. De nieuwe regels laten werk meer lonen en maken de financiële en bureaucratische risico’s van de stap naar werk kleiner. Iemand kan bijvoorbeeld een deel van het inkomen uit deeltijdwerk houden en er komt een bufferbudget om inkomensschommelingen op te vangen. Ook wordt herinstroom in de bijstand eenvoudiger als een baan snel weer eindigt. Verder komt er structurele financiering voor Individuele Plaatsing en Steun (IPS) van jaarlijks 12 miljoen. Daarmee krijgen gemeenten en ggz-instellingen de financiële zekerheid die nodig is om IPS-begeleiders in dienst te nemen. Ondersteuning op de werkplek én vanuit de ggz is een goede methode om mensen met psychische klachten naar passend betaald werk te leiden.”

‘Niet eerst kijken in welk uitkeringsbakje iemand zit’

Divosa zegt: ‘Wij missen de balans. Het gaat niet alleen om de kortste weg naar werk.’ “Ik snap die kritiek, maar ik zie werk en meedoen juist als twee kanten van dezelfde medaille. Niet iedereen kan in één keer naar een baan. Divosa heeft gelijk dat maatwerk en passende ondersteuning nodig zijn. Maar dat staat de ambitie om mensen aan de slag te helpen niet in de weg. Het moet allebei: kijken wat iemand kan én die mogelijkheden zo goed mogelijk benutten.”

Horen mensen die chronisch ziek zijn wel in de bijstand? “De Participatiewet is ingericht als vangnet voor mensen met een perspectief op werk. Als iemand structureel geen arbeidsvermogen heeft, dan is dat perspectief er niet. We moeten voorkomen dat mensen die door ziekte of een chronische aandoening niet kunnen werken, jarenlang in de bijstand blijven, met verplichtingen die eigenlijk niet bij hun situatie passen. Het kabinet onderzoekt daarom voor deze groep een aparte regeling of een ander inkomens- en ondersteuningsregime, buiten de Participatiewet. Dit is nog niet uitgewerkt; we moeten nog keuzes maken over doelgroep, inkomen, uitvoering en financiering. Helder is wel dat ik mensen niet wil afschrijven, dat is voor mij een belangrijk principe. Ik wil niet zeggen: hier is uw uitkering, verder kijken we niet meer naar u om. Ook mensen die niet betaald kunnen werken, hebben talenten en kunnen op een andere manier meedoen. De tweede voorwaarde is dat zo’n aparte regeling geen financieel aantrekkelijke route mag worden met een aanzuigende werking.”

Wat is uw belangrijkste boodschap voor de leden van Divosa? “Zet werken en meedoen centraal. We hebben een vergrijzende samenleving, een krappe arbeidsmarkt en een economie die onder druk staat. We kunnen iedereen gebruiken. Ik wil af van een sociale zekerheid die vooral uitkeringsgericht is. We moeten niet eerst kijken in welk uitkeringsbakje iemand zit en daar de ondersteuning op aanpassen. Het vertrekpunt moet zijn: wat kan iemand en wat heeft diegene nodig om mee te doen? Soms is dat direct een reguliere baan, soms is eerst begeleiding, scholing of iets anders nodig. Het gaat om de best haalbare vervolgstap. Mijn overtuiging is heel simpel: een sterk land laat niemand aan de kant staan. Gemeenten staan dicht bij mensen. Zij zien waar iemand tegenaan loopt en weten welke werkgevers en voorzieningen in de regio beschikbaar zijn. De regionale werkcentra geven daar een goede infrastructuur voor. De volgende stap is om de schotten tussen de verschillende organisaties, stelsels en hokjes verder weg te halen. De samenwerking met Divosa zie ik niet als eenrichtingsverkeer. Het Rijk moet wettelijke ruimte en duidelijkheid geven, terwijl gemeenten en Divosa moeten aangeven welk beleid in de praktijk wel en niet uitvoerbaar is.”

Wat vind jij?

Patrick van Uitert, directeur van sociaal ontwikkelbedrijf Avres
“Werk is belangrijk voor participatie en integratie, dat ben ik met Aartsen eens. Maar het is te kort door de bocht om te zeggen dat het alleen maar om betaalde banen draait. Een baan moet uiteindelijk het doel zijn, maar de weg ernaartoe verschilt per persoon en ook andere vormen van participatie kunnen waardevol zijn. We moeten rekening houden met iemands ontwikkeltempo en met wat iemand nodig heeft om stappen te zetten.

Het klopt dat het systeem nieuwkomers soms juist inactief maakt. Mensen moeten soms lang wachten voordat concrete stappen naar werk worden gezet, terwijl organisaties in de uitvoering ondertussen op elkaar wachten. Daardoor gaan in de beginfase kansen verloren. Door werk en inburgering meer parallel te laten lopen, kunnen nieuwkomers eerder aan de slag en zich vanuit werk verder ontwikkelen. De startbanen zijn een concrete uitwerking van dat idee.

Ik ben het ook eens met zijn observatie dat de bijstand niet het juiste regime is voor mensen met een chronische ziekte of beperking. Voor hen is een ander perspectief nodig. Daarbij gaat het erom te kijken welke regeling en ondersteuning het beste bij hun situatie passen. Als regulier werken niet haalbaar is, moeten we andere manieren van participatie mogelijk maken.

Het is goed dat Aartsen meer mensen wil laten werken, maar dan moeten de randvoorwaarden bij gemeenten wel op orde zijn. Medewerkers die dagelijks met deze groepen te maken hebben, hebben vakmanschap en voldoende tijd en ruimte nodig. Dat vraagt om investeringen. Ook vraag ik me af wat een sterke focus op aantallen, zoals 75.000 werkende statushouders, in de praktijk betekent. Werkgevers hebben behoefte aan goede begeleiding en afstemming, niet alleen aan targets. Als ambities als quota gaan voelen, kan dat juist averechts werken.”

‘Ambities moeten niet als quota voelen’

François Baudoin, directeur van participatiebedrijf KempenPlus
“Net als Aartsen geloof ik dat werken veel meer is dan inkomen: het geeft mensen sociale contacten, ritme, plezier en het gevoel erbij te horen. In de Kempen zoeken we statushouders al rechtstreeks op in het azc. We wachten niet tot iemand in een van onze gemeenten gehuisvest wordt, maar proberen al eerder contact te leggen en het inburgeringsproces te starten.

Het zou helpen als de toewijzing aan gemeenten sneller duidelijk wordt, zodat wij mensen zo vroeg mogelijk kunnen benaderen. Daarnaast moeten werk, taal en cultuur meer met elkaar worden verbonden. Wij halen taalonderwijs naar onze eigen gemeenten, dicht bij de nieuwkomers, werkgevers en de werkvloer. Zo voorkomen we onnodige reistijd en kunnen werk en taalontwikkeling elkaar versterken.

Aartsen erkent dat de groep in de bijstand steeds complexer wordt. Daarom werken wij aan een nieuw beleidskader, met meer ruimte voor differentiatie. Niet iedereen heeft dezelfde dienstverlening nodig. Voor iemand die al jaren in de bijstand zit en weinig perspectief heeft op betaald werk, kunnen vrijwilligerswerk of klusjes in de buurt zinvolle vormen van meedoen zijn. Als werk bij een reguliere werkgever niet haalbaar is, dan kunnen de werk- en ontwikkelbedrijven een belangrijke rol spelen.

Bij werkgevers zie ik nog een belangrijke uitdaging. Het gaat niet alleen om taal of afstand tot de arbeidsmarkt. Sommige mensen hebben weinig zelfvertrouwen, zijn bang om te falen of kampen met psychische of gezondheidsproblemen. Dat maakt het voor werkgevers lastig om hen volwaardig onderdeel van de organisatie te laten worden. Jobcoaching en jobcarving helpen, maar inclusie betekent uiteindelijk dat je iemand gewoon als collega behandelt.

Het is dus belangrijk om werkgevers op een laagdrempelige manier te laten kennismaken met deze doelgroep. Wij plaatsen mensen bijvoorbeeld eerst op detacheringsbasis. Zo nemen we tijdelijk het risico van het werkgeverschap over. Bevalt het van beide kanten, dan zijn werkgevers na een half jaar tot een jaar vaak bereid iemand een contract te geven.”

‘Belangrijke uitdaging bij werkgevers’

Reacties (0)

Plaats een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Velden met * zijn verplicht.