“Eigenlijk ben ik een ramp om te interviewen”, grinnikt hij tegen het einde van het gesprek.

En inderdaad, voor ronkende oneliners moet je niet bij Jos Wienen zijn. Hij wikt, weegt en nuanceert. Zo vindt hij het minderheidskabinet van D66, VVD en CDA geen gelukkige keuze, maar begrijpt hij tegelijkertijd dat er weinig alternatieven zijn. Het stoort hem dat het vorige kabinet pas op het allerlaatste moment extra geld uittrok voor de jeugdzorg, maar hij vindt ook dat gemeenten terughoudend moeten zijn met hun klaagzang over financiële ravijnen.

De gemeenteraadsverkiezingen vinden plaats in een tijd van polarisatie en verharding. Hoe is die sfeer ontstaan?

“Mensen staan scherper tegenover elkaar, het publieke debat is ruwer geworden en het begrip voor andersdenkenden lijkt af te nemen. Maar het is niet zo dat vroeger alles beter was. Ook toen liepen de spanningen geregeld hoog op, was er geweld tijdens de jaarwisseling, werden winkelcentra vernield en waren er felle politieke en maatschappelijke conflicten.

Wél veranderd is de context. Discussies die voorheen beperkt bleven tot de huiskamer, worden nu via de sociale media direct de wereld ingeslingerd. De drempel voor grof taalgebruik is laag; mensen ervaren weinig persoonlijke verantwoordelijkheid voor wat ze online zeggen. Bovendien zorgen algoritmen ervoor dat zij vooral hun eigen denkbeelden bevestigd zien, waardoor parallelle werkelijkheden ontstaan.

CDA’er Jos Wienen

is al veertig jaar actief in het openbaar bestuur. Hij was raadslid en wethouder in Ridderkerk, daarna burgemeester in Katwijk en sinds 2016 is hij burgemeester in Haarlem. Zijn naam zong rond als mogelijk bewindspersoon, hij was actief in meerdere VNG-commissies en is lid van de Adviesraad Migratie – een thema waarover hij zich ook regelmatig uitspreekt in de media. Bij het grote publiek werd hij vooral bekend als de ‘zwaarstbeveiligde burgemeester van Nederland’, nadat hij wegens criminele bedreigingen een jaar lang moest onderduiken. Het leverde hem het imago op van een sterke, stoïcijnse bestuurder.

‘Wantrouwen ondermijnt het gezag van bestuurders en het geloof in de democratie’

Grote groepen in de samenleving zijn geëmancipeerd en laten zich nadrukkelijker horen in het publieke debat. Mensen met uiteenlopende opleidingsniveaus, achtergronden en ervaringen eisen terecht hun plek op. Tegelijk is het moeilijker geworden om expertise en gezag te accepteren. In de media en politiek wordt elke mening als even belangrijk gezien, ongeacht kennis of verantwoordelijkheid. Dit zorgt voor frustratie bij wie vindt dat complexe problemen niet met simpele meningen zijn op te lossen. Tot slot versterken ontwikkelingen als migratie, klimaatverandering en geopolitieke spanningen gevoelens van angst en controleverlies, waarbij migranten vaak als hoofdschuldigen worden aangewezen. Politieke partijen die dit onbehagen benutten en eenvoudige oplossingen beloven, behalen electoraal voordeel.”

Mensen stemden ooit hun hele leven op dezelfde partij, maar die vaste binding is verdwenen.

“Secularisatie en individualisering hebben ervoor gezorgd dat het stemgedrag vluchtiger is geworden. Kiezers laten zich meer leiden door personen en het sentiment van het moment in plaats van door ideologie. Dat maakt het politieke landschap volatiel en draagt bij aan onzekerheid en onrust. Het politieke klimaat wordt gekenmerkt door wantrouwen, met name richting de landelijke politiek. Hoewel gemeenten vaak op iets meer vertrouwen kunnen rekenen, is ook daar de druk voelbaar. Oplossingen voor grote problemen als woningnood, stikstof, asielopvang en jeugdzorg blijven uit. Dit voedt het gevoel dat de ‘politiek niks klaarmaakt’. Dat wantrouwen ondermijnt niet alleen het gezag van bestuurders, maar ook het geloof in de democratie en de rechtsstaat. Scepsis over de democratie kan omslaan in de acceptatie van leiders die weinig op hebben met rechtsstatelijke principes. In de Verenigde Staten zie je waar dat toe kan leiden.”

Cruciaal is dus dat de grote problemen worden opgelost.

“Daarom vind ik het zo kwalijk dat het kabinet-Schoof die verantwoordelijkheid weleens om politieke redenen liet liggen. Problemen werden niet alleen onvoldoende aangepakt, maar soms zelfs verergerd. Een duidelijk voorbeeld is het afschaffen van de voorrang van statushouders op de sociale woningmarkt. Ik begrijp de maatschappelijke weerstand tegen deze voorrang. Tegelijkertijd is het onverantwoord om de spreidingswet niet uit te voeren en gemeenten niet te verplichten om opvang te realiseren. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: statushouders blijven langer in de azc’s, de druk daar neemt verder toe, terwijl dezelfde minister zegt geen nieuwe azc’s te willen openen. Waarom problemen bewust laten escaleren, als je ook samen met gemeenten kunt zoeken naar oplossingen, zoals bijvoorbeeld alternatieve vormen van (tijdelijke) huisvesting voor statushouders?”

‘Honderden Haarlemmers gingen de straat op uit solidariteit met mij’

De Tweede Kamer bestaat uit vijftien partijen, de Eerste Kamer uit negentien en ook gemeenteraden zijn vaak een bont gezelschap. Wat betekent die versplintering voor de bestuurbaarheid?

“Nederland kende altijd al veel partijen, mede door het ontbreken van een kiesdrempel, maar het aantal is de laatste decennia verder toegenomen. In Haarlem telt de raad zeventien partijen. Coalitievorming wordt hierdoor ingewikkelder, colleges en kabinetten worden groter en instabieler en besluitvorming kost meer tijd. Landelijk draagt fragmentatie bij aan het onvermogen om grote, structurele keuzes te maken. Elk compromis lijkt tijdelijk, elk kabinet lijkt bezig met overleven in plaats van besturen. Op lokaal niveau proberen gemeenten dit te ondervangen met raadsprogramma’s, waarin alleen afspraken op hoofdlijnen worden gemaakt. Dat kan een oplossing zijn, maar vraagt ook flexibiliteit en de capaciteiten om samen te werken.”

Je noemt het minderheidskabinet een gemiste kans.

“Politici als Jetten en Bontebal laten zien dat er behoefte is aan een fatsoenlijk, verbindend en inhoudelijk verhaal. Het is jammer dat er geen stevig meerderheidskabinet van de vier grote middenpartijen komt, dus inclusief GroenLinks-PvdA. Ik begrijp de electorale afwegingen van de VVD, maar die zijn uiteindelijk contraproductief. Een minderheidskabinet loopt het risico om voortdurend te moeten onderhandelen met wisselende oppositiepartijen, die hun stem duur verkopen. Dat leidt tot fragmentarisch beleid, eindeloos polderen en een gebrek aan samenhang. Ik acht de kans klein dat dit kabinet het vertrouwen van inwoners herstelt door zichtbare resultaten te boeken.”

In 2024 kreeg 40 procent van de raadsleden te maken met agressie, blijkt uit de recentste Monitor Integriteit en Veiligheid. Een raadslid uit Terneuzen durfde niet te stemmen over asielopvang, de burgemeester van dezelfde gemeente stapte op omdat hij vermoedt dat de raad onder druk is gezet, de burgemeesters van Venlo en Lisse werden bedreigd. Hoe zorgelijk is dit?

“Buitengewoon zorgelijk, omdat geweld of de dreiging daarvan het democratische proces ondermijnt. Als bestuurders besluiten nemen uit angst in plaats van uit overtuiging, dan glijden we af naar een samenleving waarin de mensen met de grootste mond of het meeste geld het voor het zeggen hebben. Bovendien werkt intimidatie aanstekelijk: als bedreiging loont, zullen meer mensen dat middel inzetten. Dat is funest voor het gezag van de overheid en de bereidheid van mensen om publieke verantwoordelijkheid te nemen.”

Jos Wienen

De Nederlandse Vereniging voor Raadsleden ziet dat de spoeling van kandidaat-raadsleden dunner wordt. Zijn gemeenteraden en colleges op termijn nog wel te vullen?

“Intimidatie is niet de enige reden dat mensen afhaken. Het raadswerk is intensiever geworden, met lange vergaderingen en dikke stapels stukken. Voor veel mensen is dit moeilijk te combineren met werk en gezin. De waardering staat niet altijd in verhouding tot de inspanning, zeker niet als daar ook nog publieke beschimping bijkomt. Maar het is essentieel dat voldoende mensen deze taken blijven vervullen. Democratie en rechtsstaat functioneren alleen als inwoners verantwoordelijkheid nemen.

De geschiedenis laat zien dat een systeem waarin inwoners zelf invloed hebben, minderheden aan het woord komen en de regels van de rechtsstaat gelden, verreweg het beste stelsel is. Heel eerlijk: ik baal er af en toe ook van. Dan neem ik als burgemeester een besluit om bijvoorbeeld een drugspand te sluiten of een bestuurlijke sanctie op te leggen en zegt de rechter: nee, dat mag niet. Toch kunnen we niet zonder de kaders van de rechterlijke macht. Rechters hebben soms te weinig oog voor de maatschappelijke gevolgen van hun beslissingen, maar het alternatief – bestuurders die rechterlijke uitspraken negeren – is levensgevaarlijk.”

Zelf zat je een jaar in een safehouse na doodsbedreigingen. Nooit gedacht: dit is het me niet waard?

“Natuurlijk was het heel naar om niet in mijn eigen huis te kunnen wonen, om apart van je dierbaren te moeten zijn, om permanent beveiligd te worden. Maar ik heb nooit overwogen om te stoppen. In crisissituaties word ik rustig, onverstoorbaar misschien wel. Ik voelde toen juist hoe relevant mijn rol is. Als je toegeeft aan dreiging, dan wijk je voor intimidatie – en dat is voor mij principieel onaanvaardbaar. Bovendien ervaarde ik in die periode enorme steun van de samenleving. Op een gegeven moment gingen honderden Haarlemmers de straat op om hun solidariteit met mij te betuigen. Dat sterkt mij in de overtuiging dat veel mensen verlangen naar standvastig bestuur.”

De verhouding tussen het Rijk en gemeenten is niet geweldig op het moment. Hoe komt dat?

“Gemeenten hebben veel taken gekregen – met name in het sociaal domein –, maar beschikken over relatief weinig eigen financiële middelen. Wij zijn grotendeels afhankelijk van het gemeentefonds en van specifieke uitkeringen met strikte voorwaarden. Dat beperkt de beleidsvrijheid aanzienlijk. Die financiële spanning wordt zichtbaar bij een decentralisatie zoals die van de jeugdzorg. Gemeenten kregen de verantwoordelijkheid, maar onvoldoende middelen om die goed uit te voeren. Dat leidt tot tekorten, wachtlijsten en moeilijke keuzes. Uiteindelijk stelt het Rijk vaak extra geld beschikbaar, maar meestal pas na lange en conflictueuze trajecten. Dat schaadt het onderlinge vertrouwen. Anderzijds moeten gemeenten voorzichtig zijn in hun communicatie. Zij waarschuwen dat begrotingen niet sluitend zijn of dat voorzieningen als bibliotheken en zwembaden moeten sluiten, terwijl de financiële situatie in veel gemeenten redelijk stabiel is. Dat ziet het Rijk ook. Als de boodschap te somber is en niet overal door de praktijk wordt bevestigd, dan verliest die aan overtuigingskracht.”

‘Gemeenten mogen niet onbeperkt extra middelen van het Rijk verwachten’

In sommige gemeenten maakt één op de zeven kinderen gebruik van een vorm van jeugdzorg.

“Die explosieve groei is een van de grootste maatschappelijke vraagstukken. Het is terecht dat ernstige problemen serieus worden genomen, maar professionele hulp is niet de oplossing voor alles. Laatst hebben we met het college gesproken met een kinderpsychiater. Het maakte op mij diepe indruk dat zij zei dat veel problemen van kinderen en jongeren niet zo uit de hand zouden lopen als de basisstructuren – gezinnen, sociale netwerken, contact tussen generaties – beter functioneerden. Sociale media, prestatiedruk en misschien ook verminderde weerbaarheid spelen een grote rol. Regulering van sociale media en het versterken van sociale verbanden zijn dan ook hard nodig. Dat vraagt niet alleen iets van de overheid, maar van de hele samenleving.”

Wat is er nodig om de verhouding te verbeteren?

“Goede financiële afspraken, zoals eerder het trap-op-trap-af-principe. Daarbij bewogen de middelen uit het gemeentefonds mee met de uitgaven op de rijksbegroting: gaf het Rijk meer uit, dan groeide het fonds; werd er bezuinigd, dan daalde het. Dit systeem heeft lange tijd goed gefunctioneerd als een raamwerk dat de verdeling voorspelbaar maakte. Zulke mechanismen hebben we ook nu nodig. Er komt per 2027 een nieuwe financieringssystematiek, gebaseerd op de meerjarige ontwikkeling van het bruto binnenlands product. Groeit de economie, dan stijgt het gemeentefonds mee, en andersom. Het nieuwe kabinet moet dit nog finaliseren, maar duidelijke basisafspraken zijn onmisbaar. Die voorkomen dat ministers of een kabinet in de verleiding komen om middelen bij gemeenten weg te halen, omdat dat een relatief eenvoudige bezuiniging is.

Zowel Rijk als gemeenten moeten realistisch zijn over wat er wel en niet kan. Ik begrijp dat het voor het Rijk simpelweg onmogelijk is om aan alle wensen tegemoet te komen. Gemeenten moeten snappen dat ze niet onbeperkt een beroep kunnen doen op het Rijk voor extra middelen, zeker niet in een tijd waarin de hele samenleving moet bezuinigen. Ik pleit dus voor wederzijds respect voor elkaars taken, verantwoordelijkheden en beperkingen.”

Kunnen we hoopvol afsluiten?

“Ik wens iedereen wijsheid bij zijn keuze volgende week in het stemhokje. Mijn boodschap is niet pessimistisch, maar waarschuwend én bemoedigend. Besturen is nooit eenvoudig geweest. De tegenstellingen in de samenleving nemen toe, de politiek is versnipperd en grote problemen worden niet opgelost, zoals we net zagen. Juist daarom rust er een zware verantwoordelijkheid op de overheid en de politiek: de democratische rechtsstaat verdedigen, versterken en overeind houden. Dat is een opdracht die we moeten en kunnen waarmaken.”

Wat vind jij?

‘Vertel gewoon waar we aan toe zijn’

Tamara Schror, teamleider Werk, Inkomen en Wmo, Raalte

“Het wantrouwen waarover Wienen spreekt, herkennen wij absoluut. Onze consulenten in de frontlinie ervaren dat dagelijks. Zij moeten vaak een paar stappen extra zetten om te laten zien: afspraak is afspraak en de gemeente is er om te helpen. We zien het ook terug in het aantal klachten en AVG-verzoeken: mensen willen precies weten welke gegevens wij vastleggen. Dat snap ik, maar het maakt ons werk wel intensiever.

Wat wij daaraan doen? Heel bewust anders communiceren. Niet alleen zenden, maar het gesprek voeren. Aansluiten bij wat iemand nodig heeft, in plaats van te zeggen: wij weten wat goed voor u is. Dat is een proces van lange adem. Mijn rol als leidinggevende is om er te zijn voor de medewerkers als het ingewikkeld wordt: bij agressie, klachten of moeilijke gesprekken.

Net als Wienen vind ik dat gemeenten behoefte hebben aan duidelijke, langjarige financiële afspraken met het Rijk. Nu zijn het vaak tijdelijke oplossingen, zoals in de jeugdzorg. Dat geeft onzekerheid. Vertel gewoon waar we aan toe zijn, dan kunnen wij gericht sturen. De inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo bijvoorbeeld is herhaaldelijk uitgesteld. Veel inwoners doen een beroep op hulp bij het huishouden via de Wmo, ook als ze het eigenlijk zelf kunnen betalen. Ondertussen hebben wij te maken met een enorm tekort aan hulpen. Dus wij moeten puzzelen: kennen we minder uren toe, terwijl de wet voorschrijft dat we moeten compenseren wat iemand niet zelf kan? Dat zet het systeem onder druk.

De komende jaren moeten we in Raalte bezuinigen, maar hier en nu valt het gelukkig mee. Toch hebben we hoe dan ook de maatschappelijke verantwoordelijkheid om onze uitgaven kritisch tegen het licht te houden – het gaat tenslotte om gemeenschapsgeld.”

‘Verwachtingsmanagement kan vertrouwen vergroten’

Wieteke de Laat, strategisch manager Domein Samenleving, Best

“Ik ken burgemeester Wienen niet persoonlijk, maar zijn betoog maakt op mij een weloverwogen en deskundige indruk. Zeer herkenbaar is wat hij zegt over het belang van verbinding. Wat mij betreft is die verbinding cruciaal op vier niveaus: in de gemeentelijke organisatie – bijvoorbeeld tussen het sociaal en het omgevingsdomein – , tussen de gemeente en inwoners, met samenwerkingspartners en tussen gemeenten en het Rijk.

Daarnaast is integraliteit onmisbaar. De vraag naar specialistische hulp groeit, met stijgende kosten tot gevolg, maar niet elke casus vereist een dure interventie. Een preventieve aanpak is daarom essentieel: opvoeden en omgaan met dagelijkse problemen horen bij het leven en professionele hulp is niet altijd nodig. In Best hebben we dit vormgegeven met BEST-wijzer: één centrale locatie waar verschillende zorgaanbieders samenwerken als één organisatie. Hierdoor kunnen inwoners breed worden ondersteund. Een hulpvraag rond bijvoorbeeld jeugdzorg of inkomen blijkt vaak samen te hangen met armoede, stress of een kwetsbare thuissituatie. Zo’n bredere blik maakt het mogelijk om gerichter te ondersteunen, preventief te werken, zorg op maat te leveren en gelijke kansen te bevorderen. Bezuinigingen als doel op zich acht ik onrealistisch: effectiever en inhoudelijk beter werken leidt niet automatisch tot financiële winst.

Net als Wienen ben ik van mening dat gemeenten het Rijk nodig hebben voor kaders en financiering. Tegelijk ervaren we druk door landelijke wet- en regelgeving die lokaal weerstand oproept, wat het vertrouwen van inwoners in de overheid schaadt. Onduidelijk beleid vanuit het Rijk helpt daarbij niet. Wat gemeenten zelf kunnen doen, is investeren in verwachtingsmanagement en open communicatie. Door keuzes uit te leggen, ontstaat duidelijkheid en verminderen spanningen. Mijn motto: wees eerlijk over wat wel en niet kan, erken fouten en leer van ervaringen.”