Niet alleen omdat ze van lezen houdt, maar ook omdat het zo’n mooie ontmoetingsplek is. Ouders, vrijwilligers en professionals komen elkaar er op een natuurlijke manier tegen. Er zijn koffiecorners, voorleesmomenten, taalactiviteiten en oudergroepen. Mensen wisselen informeel ervaringen uit. ‘Hoe doe jij het thuis met zindelijk worden, schermtijden en huiswerk?’ “Zo wordt een traditionele voorziening, die ooit alleen een uitleenservice voor boeken was, een sociale spil in de wijk. Het is ook nog eens een neutrale, niet-stigmatiserende en laagdrempelige plek.” Ze noemt dit voorbeeld natuurlijk niet zomaar. Ontmoeting is namelijk een van dé voorwaarden voor een sterke pedagogische basis – het expertisegebied van De Haan. Begin dit jaar werd zij benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘Versterken van de pedagogische basis’ aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Ik werk aan verbinding tussen wetenschap, beleid en praktijk. Mijn missie is om de pedagogische basis beter te begrijpen, zichtbaar te maken en te versterken.” Haar academische werk combineert ze met haar rol als expert opvoeden en opgroeien bij het Nederlands Jeugdinstituut.
Laten we bij het begin beginnen. Wat ís de pedagogische basis?
“De leefwereld waarin kinderen opgroeien en ouders opvoeden. Het omvat alle plekken, relaties en voorzieningen die een rol spelen in het dagelijks leven: kinderopvang, school, sportclub, speeltuin, buurt, familie en vrienden. Het gaat dus om het gewone leven, niet om zorg of gespecialiseerde hulpverlening. Er is altijd een pedagogische basis. Ook als die niet sterk is. Een sterke pedagogische basis kenmerkt zich door warme relaties tussen ouders, kinderen en hun omgeving, steun vanuit het netwerk en veilige en toegankelijke ontmoetingsplekken. Een zwakke pedagogische basis daarentegen betekent isolement, gebrek aan steun en weinig ontmoetingen.”
Waarom is een sterke basis belangrijk?
Als mensen elkaar leren kennen en helpen, dan groeit niet alleen het welzijn van individuele gezinnen, maar ook het sociaal kapitaal in de samenleving. Ouders voelen zich zelfverzekerder en minder overbelast in hun opvoedrol. Kinderen groeien op met meerdere betrokken volwassenen en rolmodellen, wat goed is voor hun ontwikkeling en identiteitsvorming. Daarnaast bevorderen ontmoetingen tussen verschillende groepen het onderlinge begrip en de sociale cohesie. Dit kan uitsluiting en polarisatie verminderen. Ook het jeugdzorggebruik kan afnemen, omdat ouders minder snel professionele hulp zoeken als ze steun vinden in hun netwerk. Mede-ouders, leerkrachten en sporttrainers vangen al veel op voordat het een zorgkwestie wordt. En omdat kinderen uit verschillende milieus elkaar ontmoeten, wordt de kansenongelijkheid kleiner. Ontmoeting leidt tot mogelijkheden. Als je meer mensen kent, ontstaan er nieuwe kansen – voor kinderen én ouders.
Een sterke pedagogische basis helpt ook om te normaliseren: om opvoedproblemen in perspectief te plaatsen en te erkennen dat niet alles hoeft te worden opgelost door een zorgprofessional. Ouders herkennen elkaar in opvoedzorgen. Het geeft lucht als je hoort dat jouw kind niet het enige kind is dat het spannend vindt om naar de middelbare school te gaan. Het scheelt als je om je heen ziet dat ieder kind zich op zijn eigen manier ontwikkelt. Het ene kind loopt met zes maanden, het andere met vierentwintig en alles wat ertussen zit, is doodnormaal. Ook kinderen leren zo dat verschillen erbij horen.”
Wie moet de kar trekken?
“De pedagogische basis is ieders verantwoordelijkheid. Het is aan medewerkers van kinderdagverblijven, scholen en verenigingen om problemen te signaleren en steun te geven. Dan wordt het bijvoorbeeld opgemerkt door de juf of trainer als het even niet goed gaat met een kind. Of een ouder kan op school even met de leerkracht praten en voelt zich serieus genomen. Inwoners op hun beurt hebben de taak om elkáár te steunen in het dagelijks leven. Dat betekent dat buren of vrienden vragen hoe het gaat en af en toe eens hulp aanbieden. Dat er meerdere volwassenen in het leven van kinderen zijn die hen kennen, aanmoedigen en vertrouwen geven. Dat ouders ergens hun opvoedzorgen kwijtkunnen.
Alle partijen hebben dus hun eigen rol. Maar voor gezinnen in een kwetsbare positie is het wel belangrijk dat anderen het voortouw nemen. Dat hoeft zeker niet altijd een zorgprofessional te zijn. Laatst hoorde ik het voorbeeld van een Oekraïense moeder, die in Nederland begrijpelijkerwijs nog geen netwerk had, zich eenzaam voelde en tegen opvoedkwesties aanliep. Zij kreeg toen van de CJG-arts de tip om in de bibliotheek – jawel, daar is ‘ie weer – naar een ‘Moeders informeren moeders’-bijeenkomst te gaan. Dat heeft haar toen veel contacten en steun gebracht.”
Amaranta de Haan (1981)
studeerde Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Aandezelfde universiteit promoveerde ze op de gezamenlijke ontwikkeling van opvoedgedrag van moeders en vaders en antisociaal gedrag van kinderen en jongeren. De Haan werkt bij het NJi, het nationale kenniscentrum voor opvoeden en opgroeien. Op 1 februari 2025 is zij benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘Versterken van de pedagogische basis’. Deze leerstoel is een samenwerking van de Rijksuniversiteit Groningen en het NJi.
Hoe bouw je een pedagogische basis?
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een stappenplan voor gemeenten opgesteld.
• Stel vast welke ambities je hebt met de pedagogische basis.
• Breng wijken in beeld: hoe staat de pedagogische basis ervoor?
• Stel per wijk een gedegen agenda op.
• Doe wat werkt: welke initiatieven en activiteiten zijn er al en wat is er nog nodig?
• Kies voor een samenhangende aanpak: wie heb je nodig en wat staat je te doen?
• Werk samen met inwoners en partners en denk na over je eigen rol.
• Houd de blik gericht op de lange termijn.
• Monitor de voortgang en verzamel gegevens om te leren, niet zozeer als verantwoordingsmechanisme.
Meer weten? Kijk op nji.nl (zoek op ‘Hoe versterk je als gemeente de pedagogische basis?’).
En gemeenten?
“Die spelen een enerzijds cruciale, maar anderzijds slechts ondersteunende rol. Wat zij kunnen doen? De voorwaarden scheppen voor ontmoeting, zoals veilige speelplekken en toegankelijke bibliotheken en buurthuizen. Niet vanachter een bureau bedenken welke voorzieningen een wijk nodig heeft, maar dit aan de inwoners zelf vragen. Dit niet enkel kwantitatief benaderen: geen voorzieningen tellen, maar mensen vragen of ze zich erdoor geholpen voelen. Hierbij ook moeilijk bereikbare groepen opzoeken, eventueel via sleutelfiguren. Onderwijs, kinderopvang, sport en welzijn aan elkaar verbinden, zodat organisaties van elkaar kunnen leren.
En, heel belangrijk: de gemeentelijke neiging tot controleren en sturen bedwingen. Geef ouders de ruimte om elkaar te ontmoeten en vertrouw erop dat de steun en het netwerk daarna vanzelf groeien. Initiatieven van onderop zijn bijvoorbeeld oudercafés, opvoedkringen en een initiatief als Buurtgezinnen, waarbij gezinnen elkaar ondersteunen. Laatst hoorde ik een succesverhaal van een vluchtelingengezin. De relatie van de ouders ging over, de vrouw wilde graag een opleiding doen, maar ze kende hier niemand en sprak de taal niet. Toen leerde ze via Buurtgezinnen een ander gezin kennen, haar kind kon daar regelmatig worden opgevangen, ze heeft Nederlands geleerd, een opleiding afgemaakt en heeft nu een baan. Zonder dat er enige vorm van professionele hulpverlening aan te pas is gekomen.
Of denk aan Centering Parenting en Pregnancy-groepen, met gezamenlijke bijeenkomsten rond zwangerschap en opvoeden. Zelf zat ik ook in zo’n zwangerschapsclub en ik heb daar langdurige vriendschappen aan overgehouden. Ook bij ontmoetingsmomenten met een heel ander doel – koken, sporten, hulp bij huiswerk – ontstaan relaties. Vanzelfsprekend, ongedwongen, gelijkwaardig en zonder hulpstigma.”
Dat mensen met een netwerk en een beetje steun gelukkigere, gezondere en stabielere ouders zijn, is ook weer geen rocket science.
“Het ligt voor de hand, ja. In het voorbeeld dat ik net noemde, heeft Buurtgezinnen niets anders gedaan dan twee gezinnen aan elkaar koppelen. Gemeenten moeten zorgen dat het georganiseerd kan worden, maar zich verder niet bemoeien met wat er precies moet gebeuren. Laat dat vooral aan de mensen zelf over.”
Ken je gemeenten die goed bezig zijn?
“Zeker. Om er een paar te noemen: de gemeente Zwolle investeert veel in de sociale basis, waarvan de pedagogische basis een onderdeel is. Zij voert een mooi, samenhangend beleid door alle domeinen heen. Wijkteamprofessionals zijn de experts voor gezinnen, zij hebben een brede blik, normaliseren en lossen zoveel mogelijk opvoedvragen zelf op. Deze teams maken ook wijkprofielen om te kijken wat nodig is op grotere schaal.
In Hardenberg zijn er waardevolle projecten van voortgezet onderwijs, jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg, met het doel om een positief schoolklimaat te creëren. De focus ligt op normaliseren: scholieren leren omgaan met tegenslagen, hun talenten en leerpunten leren ontdekken en om hulp vragen als je er niet uitkomt, en dit alles in de gewone schoolsetting.
De gemeente Ede werkt samen met buurten en inwoners om te zorgen dat jongeren kunnen opgroeien in een veilige, kansrijke omgeving, met voldoende sociale steun. Het vertrekpunt is daar dat de kracht van de community ervoor zorgt dat ouders en kinderen mentaal en fysiek sterker worden. De gemeente Amsterdam ten slotte zet samen met de Universiteit van Amsterdam goede stappen met het welzijnsdashboard: een menselijk meetinstrument dat laat zien hoe het met wijkbewoners gaat en wat zij belangrijk vinden.”
Het klinkt allemaal heel mooi. Tegelijk moeten we een realistisch beeld hebben van de pedagogische basis, zeg je.
“Ik merk weleens dat gemeenten en beleidsmakers te hoge verwachtingen hebben. Maar er is niet één pedagogische basis: ieder gezin en iedere wijk hebben hun eigen context. Bovendien is een groot deel ongestuurd en informeel. Het gaat om het gewone samenleven en toevallige ontmoetingen, die je niet kunt plannen. Dat is de werkelijkheid. Laten we dus erkennen dat beleid beperkte invloed heeft. Als gemeente kun je alleen maar randvoorwaarden creëren, en daarna is het afwachten.”
De vraag naar jeugdzorg blijft maar groeien, net als de kosten, de mentale problemen onder de jeugd en het aantal parental burn-outs onder ouders. Komt dat ook niet gewoon door de tijd waarin we leven? ‘Kinderen moeten gezond, intelligent, knap en populair zijn en alles liefst bovengemiddeld’, zei psycholoog en onderwijswetenschapper Bert Wienen in Sprank.
“Wetenschap en zorgpraktijk zijn in een biomedisch model terechtgekomen waarin oorzaken en oplossingen voor problemen in het kind zelf worden gezocht. Maar problemen zijn inderdaad nooit los te zien van de omgeving. In onze samenleving is de bandbreedte van wat we normaal vinden te smal geworden en ligt er veel nadruk op
prestaties. Kinderen verschillen nu eenmaal. Dan moeten we het kind niet in een te strak keurslijf dwingen, maar de omgeving aanpassen. Een druk kind bijvoorbeeld niet meteen labelen of doorverwijzen, maar kijken of kleine, dagelijkse aanpassingen op school mogelijk zijn. Met een rustige werkplek of wat beweging tussendoor kan een kind weer helemaal opbloeien. Het is ook goed als professionals in kinderdagverblijven en op scholen tijd en ruimte krijgen om af te stemmen met ouders wat werkt. Onder meer om schoolsstress te verminderen. Welk belang hecht een school bijvoorbeeld aan huiswerk, toetsen en Citoscores?”
Het staat niet vast dat een sterke pedagogische basis leidt tot een lager beroep op de jeugdzorg. Begrijp je dat gemeenten dat ingewikkeld vinden?
“Ik snap dat gemeenten terughoudend zijn om geld, tijd en menskracht te steken in de pedagogische basis, maar het is noodzakelijk. Ze moeten het zien als investering, niet als kostenpost. Het werkt niet om vooraf van iedere euro precies te willen weten wat de opbrengsten zijn. Een andere valkuil is dat gemeenten te snel resultaat willen zien, terwijl dit bij uitstek een kwestie van de lange adem is.
Vanuit de wetenschappelijke theorie is zeker de verwachting dat een sterke pedagogische basis leidt tot minder vraag naar professionele jeugdhulp. Maar bewijs dat dit onomstotelijk vaststelt, is er niet. In 2016 is er één groot onderzoek gedaan in de Verenigde Staten. Daaruit blijkt dat jongeren die verhuisden naar kansrijkere buurten, het beter deden op school en minder mentale klachten ontwikkelden. Maar in Nederland ontbreekt zulk onderzoek nog. Het punt is dat de pedagogische basis breed, divers en deels onzichtbaar is. Dat maakt meten moeilijk. Bovendien raakt het onderwerp vele disciplines: pedagogiek, sociale geografie, sociologie, psychologie … Die vakgebieden weten elkaar nog lang niet altijd goed te vinden. Een grote frustratie voor mij.”
Je zit nu op de plek om dat te veranderen, toch?
“Mijn hoofddoel voor de komende jaren is om onderzoekers uit alle relevante vakgebieden bij elkaar te brengen en hun kennis te bundelen. Daarnaast wil ik bottom-up- en topdown-onderzoek combineren. Ofwel: van bovenaf kijken naar wijkdata – bijvoorbeeld naar voorzieningen en ontmoetingsplekken – en van onderaf de pedagogische basis op gezinsniveau in kaart brengen, dus de online en offline netwerken. Ook wil ik mijn positie als spin in het web goed benutten en de kennis laten stromen tussen wetenschappers, gemeenten, zorg- en onderwijsprofessionals en maatschappelijke partners.”
Jouw aanpak is multi-systemisch, inclusief en co-creatief. Leg uit.
“Multi-systemisch houdt in dat ik rekening houd met álle lagen en systemen die invloed hebben op het opgroeien en opvoeden van kinderen. Het gaat dus niet alleen om het kind zelf, maar ook om het gezin, school, vriendenkring, wijk en factoren zoals armoede en cultuur. Stel dat een kind moeite heeft op school. Dan bekijken we niet alleen het gedrag, maar ook de relatie met de leerkracht, de steun thuis en de verwachtingen op school. De hele context, kortom.
Opvoeden en opgroeien vindt in Nederland plaats in een superdiverse samenleving, met verschillende gezinsvormen, culturen, talen en levensstijlen. Het is belangrijk om die diversiteit te erkennen en waarderen, zodat beleid en voorzieningen in de wijk inclusief zijn en niet alleen gericht op de ‘gemiddelde’ ouder of het standaardgezin. Tot slot doe ik mijn onderzoek in co-creatie met gezinnen, professionals en maatschappelijke partners. Dit is een samenwerking op gelijkwaardige basis. Zo vragen wij gezinnen zelf wat hen helpt in het opvoeden. Met interviews, vragenlijsten en dagboekonderzoek probeer ik te begrijpen wat ouders en kinderen in het dagelijks leven ervaren, wat stress oplevert en wat hun veerkracht versterkt. Kennis ontwikkelen over opvoeden en opgroeien moet gebeuren in samenspraak met de mensen om wie het gaat.”
Als je één ding tegen gemeenten mocht zeggen, wat zou dat dan zijn?
“De pedagogische basis is het goud dat we al in handen hebben. Ze is er altijd, maar we moeten haar zien, waarderen en versterken. Ga als gemeente niet sturen of regisseren, maar geef ruimte aan het gewone leven, aan ontmoeting, verbondenheid en vertrouwen. Sociale, rechtvaardige en inclusieve gemeenschappen maken uiteindelijk niet alleen gezinnen veerkrachtiger, maar de hele samenleving.”
Wat vind jij?
Marjan Brongers, beleidsadviseur Positief Opgroeien in Groningen
“In Groningen is een sterke pedagogische basis onderdeel van het integraal preventief jeugdbeleid, onder de naam Positief Opgroeien. Het doel is dat kinderen veilig, gezond en kansrijk opgroeien en hun stem kunnen laten horen. De aanpak is breed en wijkgericht; we betrekken scholen, kinderopvang, GGD, welzijnsorganisaties en sociale wijkteams erbij.
Ik vind het mooi dat De Haan het belang van ontmoeting benadrukt. Als gemeente investeren wij in ontmoetingsplekken en netwerken voor kansrijk opgroeien. Ten eerste fysiek, door accommodaties beschikbaar te stellen, zoals bibliotheken en buurthuizen. Het Forum, een multifunctionele ontmoetingsplaats met onder meer een bibliotheek, is natuurlijk een eyecatcher. De bibliotheek heeft ook kleinere wijkvestigingen en sommige scholen en kinderdagverblijven zitten onder één dak met bijvoorbeeld jeugdgezondheidszorg, wijkteam en spelotheek. Ten tweede maken wij ontmoeting mogelijk via programma’s, zoals ‘Moeders informeren moeders’ en buddyprojecten zoals Kansrijk Groningen. Ook hebben we pedagogische wijkplannen, waarmee we netwerkopbouw en laagdrempelige ondersteuning stimuleren in een bepaalde wijk.
De Haan vindt dat gemeenten de behoeften van inwoners moeten inventariseren. Wij kunnen echter niet voldoen aan alle wensen. Inwoners vormen immers geen uniforme groep: leeftijd, culturele achtergrond en interesses verschillen sterk. De gemeente kan mogelijkheden bieden, maar niet afdwingen dat mensen deelnemen. Verder hebben we te maken met financieringsstromen en wettelijke kaders vanuit het Rijk: middelen zijn vaak gekoppeld aan specifieke doelstellingen, waardoor lokaal maatwerk soms beperkt wordt.
Een goed netwerk en een ondersteunende omgeving helpen gezinnen om beter om te gaan met opvoedkundige uitdagingen. Maar het lijkt mij heel moeilijk om aan te tonen dat dit daadwerkelijk leidt tot minder vraag naar jeugdzorg, alleen al omdat daarbij veel meer factoren een rol spelen. Ik ben het helemaal eens met De Haan dat een sterke pedagogische basis beperkt maakbaar is. Als gemeente kunnen we faciliteren en organisaties aan elkaar koppelen, maar uiteindelijk hangt het succes af van de actieve betrokkenheid van inwoners, vrijwilligers en professionals.”
Olaf Bögemann, projectleider Kansrijk van Start in Heerlen
“In Heerlen zetten we sinds 2018 in op ontmoeting en verbinding rond de eerste duizend dagen van pasgeborenen. Met ‘Kansrijk van Start Heerlen – Sjpruut’ (Heerlens voor ‘spruitje’) stimuleert de gemeente samen met de betrokken organisaties bewustwording over het belang van een sterke pedagogische basis. Voor ieder kind, zonder stigma: élk kind in Heerlen is een Sjpruut.
Ons beleid is gericht op het verminderen of oplossen van problemen rond armoede, zorg, onderwijs, veiligheid en gezondheid. Een sterke pedagogische basis realiseren is complex, omdat de verschillende levensdomeinen vaak gescheiden zijn. Ons doel is om deze domeinen met elkaar te verbinden, zowel intern als extern. In Heerlen gebruiken we daarvoor de metafoor van de ‘satéprikker’: verbinding creëren tussen organisaties en netwerken ten behoeve van het kind.
De Haan benadrukt het belang van een sociaal netwerk voor jonge ouders. Voor ouders in een sociaal isolement worden de uitdagingen inderdaad groter. Steun vanuit de gemeenschap is dus cruciaal. Daarom zet Sjpruut in op domeinoverstijgende ondersteuning voor álle gezinnen die dat nodig hebben. Uniform beleid voor één doelgroep werkt niet: gezinnen hebben verschillende behoeften en mogelijkheden.
De bibliotheek is een mooi voorbeeld van een ontmoetingsplek. Ook in Heerlen werkt dit goed, maar niet voor iedereen. Door de hoge laaggeletterdheid is de drempel soms te groot. Daarom verspreiden wij activiteiten voor professionals en inwoners over diverse plekken: Sjpruutcafés, verloskundigenpraktijken, kinderdagverblijven, op straat en in het ziekenhuis.
Terecht zegt De Haan dat de rol van de gemeente cruciaal is, met een belangrijke kanttekening: gemeenten moeten faciliteren en verbinden. Het echte werk gebeurt in de buurten en wijken, in de gemeenschappen, bij de professionals, vrijwilligers en inwoners. En ja, een sterke pedagogische basis draagt bij aan sterke gezinnen en een sterkere samenleving. Dit streven we na met onze inspanningen, niet omdat het ‘jeugdzorg bespaart’, maar omdat ieder kind recht heeft op de best mogelijke start. Dát is de essentie.”
