Zoals zonnebloemen hun kopjes altijd naar de zon draaien, zo kijken wij bij een crisis standaard naar de overheid. Die sprong de afgelopen jaren geregeld bij, bijvoorbeeld toen de energieprijzen vanaf 2021 sterk stegen door krapte op de gasmarkt en de oorlog in Oekraïne. Ook de vraag naar onder meer jeugdzorg en Wmo-ondersteuning neemt verder toe.
Govert Buijs, politicoloog en hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit, herkent zich deels in dit beeld. Hij spreekt weleens van de ‘compensatiesamenleving’. “Als het ergens misgaat, lijken we een verworven recht op compensatie te hebben. Aan de andere kant: het is ook de overheid zélf die in die reflex schiet. Overheden hechten veel belang aan stabiliteit. Het systeem moet blijven draaien, zonder al te grote schommelingen of te hoge inflatie. Daardoor grijpt de overheid bij crises vaak snel in. Juist daarom vond ik het al winst dat het kabinet bij de laatste stijging van brandstofprijzen niet meteen koos voor compensatie via de accijnzen, maar de ontwikkelingen even wilde afwachten.”
Beide opa’s van Buijs waren tuinder. “Zij wisten dat er goede en slechte oogsten waren. Dat je dus altijd een buffertje nodig hebt, een appeltje voor de dorst. Dat basale besef lijkt verdampt. Ons consumptiepeil is hoog en als het misgaat, vinden we dat we het recht hebben om onze levensstijl te handhaven, wat er ook gebeurt.”
Schaarste
Bram Loeffen bekijkt hetzelfde vraagstuk – kan de overheid onbeperkt hulp blijven leveren? – vanuit een andere invalshoek: de hulp die gemeenten in het sociaal domein leveren aan inwoners. Loeffen is concerndirecteur bij de gemeente Maashorst (Uden en omgeving). “In gemeenten wordt veel gesproken over integraal werken. Zo kijkt men in de jeugdzorg naar de hele context van een kind in plaats van alleen naar het kind zelf. Een mooie ontwikkeling”, zegt hij, “maar tegelijk moet het gaan over een ander, minder sexy onderwerp: schaarste. Het is niet houdbaar hoe we de hulp, vooral vanuit jeugdzorg en Wmo, op dit moment organiseren. Financieel niet en qua bemensing niet.”
Gemeenten kunnen niet iedereen blijven helpen op de manier waarop ze dat nu doen, zegt hij. “Daarom moeten we het hebben over de vraag: wat gaan we vanwege de schaarste níet meer doen, op het gebied van schuldhulpverlening, jeugd, Wmo en huishoudelijke hulp?”
Kijken inwoners bij dergelijke hulpvragen te snel naar de gemeente? Soms wel en soms niet, vindt Loeffen. “Soms vinden mensen met een hulpvraag en de gemeente elkaar juist te laat. Bij schuldenproblematiek bijvoorbeeld kun je veel problemen voorkomen als je er op tijd bij bent. Los van het probleem van de harde euro’s kan dat ook veel schelen in levensplezier, gezondheidsproblemen en de mogelijkheid om het leven te leiden dat mensen willen.” Met andere woorden: af en toe zou je willen dat mensen juist eerder naar de (lokale) overheid kijken. Loeffen: “Het gaat niet simpelweg om meer of minder hulp, maar ook om de timing en vorm van die hulp.”
Govert Buijs (politicoloog en hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit)
Verschil durven maken
Een spannende vraag op gemeentelijk terrein is volgens Loeffen: durven we onderscheid te maken? “Als we meer maatwerk willen leveren, betekent dat ook dat we soms het ene gezin wel helpen en het andere niet. Misschien is de hulpvraag op het oog hetzelfde, maar blijkt het ene gezin wel een goed netwerk in de buurt te hebben en daardoor meer draagkracht, en het andere niet. Ons vertrekpunt bij ondersteuning zijn altijd drie standaardvragen: wat wilt u, wat kunt u en wat heeft u nodig? Of iemand een sociaal netwerk heeft, kan veel verschil maken in de antwoorden. Vervolgens kom je bij de meer politieke vraag: betekent gelijke behandeling dat gelijke gevallen precies dezelfde hulp krijgen, of zorgen we dat gelijke gevallen eerlijk ondersteund worden?”
Loeffen denkt niet dat steun mensen per definitie afhankelijk maakt in plaats van veerkrachtig. “Het zijn niet zozeer de interventies zelf die de veerkracht ondergraven, denk ik, maar vooral de houding van de overheid: wel of niet betrokken. Ik kan me voorstellen dat je zegt: in deze vorm kunnen we u niet ondersteunen, maar misschien helpt het om u aan te sluiten bij die vereniging. Of: nee, u komt niet in aanmerking voor deze uitkering, maar we kunnen u wel helpen een baan te vinden. Dat kan een betrokken nee zijn.”
Autoloze zondagen
Een eerlijk verhaal vertellen over schaarste en de veerkracht van mensen niet onderschatten – dat is ook de kern volgens filosoof Buijs. “We moeten met z’n allen accepteren dat er waarschijnlijk wat mindere tijden aankomen. Het kabinet lijkt dat eerlijke verhaal nog niet te durven vertellen. Ik had nooit gedacht dat ik nog eens naar Joop den Uyl zou terugverlangen, maar zijn toespraken in de tijd van de autoloze zondagen waren goed. De boodschap was: de tijd die achter ons ligt, komt niet meer terug. Die ongeveer twaalf autoloze zondagen zetten op zich niet veel zoden aan de dijk, maar waren een sterk middel om duidelijk te maken dat er een andere tijd zou aanbreken. Het zou mooi zijn als premier Jetten ook zo’n staatsmanachtige toespraak hield: onze welvaart is niet vanzelfsprekend.”
Daarbij moeten we ons niet zozeer focussen op noodsituaties waarbij bijvoorbeeld de stroom een paar dagen uitvalt, maar op de grotere context van een veranderende wereld, zegt Buijs. “Die verhalen over het noodpakket hebben voor mijn gevoel bijna iets kinderlijks. Mocht de stroom drie dagen uitvallen, dan vinden we daar met z’n allen wel iets op. Wat er werkelijk verandert, is dat de wereldwijde verhoudingen tussen grootmachten verschuiven, dat voedselprijzen misschien wel flink gaan stijgen, dat we waarschijnlijk iets moeten inleveren, misschien minder vaak met vakantie kunnen. En dat we solidair moeten zijn met degenen die een financiële stap terug écht niet kunnen dragen.”
De overheid lijkt de veerkracht van mensen te onderschatten, denkt Buijs. “Kijk hoe we met z’n allen de begintijd van corona zijn doorgekomen – later werd dat overigens wat lastiger. In de kerkgemeenschap waarbij ik ben aangesloten, zijn we bijvoorbeeld met telefooncirkels gaan werken. Er was ontzettend veel positieve energie.”
Bram Loeffen (concerndirecteur gemeente Maashorst)
Samenredzaamheid
Ook Loeffen vindt dat de overheid de veerkracht van de gemeenschap niet moet onderschatten. “In Maashorst gebruiken we het woord samenredzaamheid. Mensen staan sterker als ze een netwerk om zich heen hebben van buren, verenigingen en welzijnsorganisaties. Buren die elkaar even helpen, gezinnen die in lastige tijden hun kinderen even een middag ergens anders kunnen laten, een vereniging die eenzaamheid tegengaat … Als gemeente kun je zulke vormen van menselijke interacties niet organiseren, maar wel de voorwaarden scheppen waardoor samenredzaamheid kan ontstaan. Bijvoorbeeld door verenigingen te ondersteunen. Wij zien samenredzaamheid als een belangrijke vorm van preventie.”
Vaak hebben mensen bovendien meer aan een medemens dan aan een professional, ziet Loeffen. “Overheden zijn niet altijd de warme gesprekspartner aan wie mensen soms behoefte hebben. Onze werkwijze maakt dat we een gesprek al snel trechteren naar de vraag: heeft iemand recht op deze beschikking of niet? Dat is niet altijd de werkelijke vraag. Iemand die eenzaam is, heeft meer aan een vereniging dan aan een beschikking van de gemeente.”
Slapende structuren
Buijs denkt dat collectieve veerkracht gebaat is bij ‘slapende structuren’ die geactiveerd kunnen worden als dat nodig is. “Denk aan die belcirkels aan het begin van de coronatijd. Die waren er nog niet; we hebben ze in allerijl opgezet. Bij een crisis blijkt er veel positiviteit, veerkracht en solidariteit te zijn, maar je zou structuren willen hebben waarin die positieve energie een plek kan krijgen. Misschien zoiets als wijksteunpunten. In ieder geval: mogelijkheden voor spontane gezamenlijkheid niet altijd in allerlei regels proberen te vatten.”
Loeffen introduceert nog een ander begrip, uit Vlaamse contreien: bricoleren. “Bij de energienoodsteun van 2022 was het verwijt dat die ‘rommelig’ was. Ja, steun in tijden van crisis verloopt in eerste instantie rommelig, daar doe je weinig aan. Maar laten we een beetje vriendelijk voor elkaar zijn. Geef gemeenten de ruimte en tijd om, zoals de Vlamingen zeggen, te bricoleren: stap voor stap uit te zoeken wat een pragmatische oplossing is. Als we elkaar op het eerste idee keihard afrekenen, ontstaat er nooit iets moois.”
