Eerlijk gezegd begrijpt hij er hélemaal niks van.

Aan de Universiteit Tilburg hebben zich dit jaar 438 eerstejaars ingeschreven voor psychologie, versus 24 voor sociologie. Mark van Ostaijen schudt zijn hoofd. Hij weet nog hoe enthousiast hij zelf vroeger in de collegebanken zat. Al bij de eerste lessen sociologie viel de wereld op haar plek. Maar zijn vakgebied is niet meer in trek. Integendeel. Niet alleen onder studenten, maar ook in de media en het maatschappelijk debat duiken nauwelijks nog sociologen op.

Met verbazing bezag Van Ostaijen de groeiende psychologisering van het debat. De grote aandacht voor de neurowetenschap – de bestseller ‘Wij zijn ons brein’ van hersenwetenschapper van Dick Swaan is bezig aan z’n vijftigste druk. Van Ostaijen begon zich op te winden over het gebrek aan context en aandacht voor het collectief, voor het sociologisch perspectief. Dit resulteerde in oktober 2018 in het boek ‘Wij zijn ons’, waarin hij met hulp van grote denkers verschillende hedendaagse thema’s behandelt, van #MeToo tot de Boze Witte Nederlander.

Dit boek móest er komen?

“Laat ik vooropstellen dat het geen rancuneus boek is. Maar ik heb me als angry young man wel in het debat willen mengen. Niet uit verongelijktheid, maar uit verantwoordelijkheid. Omdat ik de sociologische kijk mis. Sterker nog: mensen bewegen steeds meer toe naar een egoïstische manier van denken. Daarom heb ik dit boek geschreven. En als ik naar de reacties kijk, dan ben ik geen roepende in de woestijn.”

Al dat navelstaren is niet gezond voor een samenleving?

“Onheilzaam noem ik het. Als we kwesties als #MeToo of burn-out vanuit een individualistisch perspectief bekijken, dan levert dat een tamelijk eng, eenzijdig en arm beeld op. Daarmee laten we namelijk alle sociale context – cultuur, condities, arbeidsomstandigheden – buiten beschouwing. Jíj hebt een burn-out, jíj mag in de Ziektewet. Jij bent arbeidsongeschikt, jij mag aan jezelf gaan werken. Gezien door de ogen van werkgevers een zeer efficiënte vorm van bedrijfsvoering. Je kunt het probleem individueel isoleren en een nieuwe werknemer aannemen. En op die manier ontslaan we onszelf voortdurend van de duurzame vraag: waarom doet dit probleem zich eigenlijk voor?

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) zei het eerder heel scherp. ‘Als de samenleving het probleem is, dan is een recept niet de oplossing.’ Dat is kraakhelder. Dat raakt precies aan wat er nu gebeurt: we willen structurele problemen oplossen met individuele recepten. Neem armoede, schulden en integratie. Dat zijn geen zaken die je uit een hersenscan kunt aflezen. Dit soort maatschappelijke vraagstukken gaat, zoals bijna alles in het sociaal domein, over interactie, sociale reflexiviteit – het vermogen om je te verplaatsen in anderen en je voor te stellen wat verschillen en overeenkomsten zijn tussen hen en jezelf – en de dynamische context. Een samenleving is veel meer dan een verzameling neurologische processen.”

Zijn we dat vergeten? Heeft het begrip ‘samenleven’ een andere definitie gekregen?

“De kiem van deze ontwikkeling ligt in de ontzuiling. In de jaren zestig hebben we allerlei instituties afgebroken en de kerk achter ons gelaten. Het nieuwe ideaal was individuele autonomie, keuzevrijheid. Iedereen moest zichzelf ontplooien en blijven ontwikkelen. Een leven lang leren. De oude structuren waren beperkend en achterhaald. Dit was een grote stap voorwaarts. De individualisering en zelfs neurologisering van sociaal gedrag zijn een logisch gevolg daarvan. Met alle gevolgen van dien. Wanneer je namelijk te veel individualiseert, dan is succes jouw verdienste. Maar mislukkingen zijn eveneens jouw fout. Dan had je maar harder moeten werken of beter moeten opletten. Eigen schuld, dikke bult. Door de ontzuiling kunnen we dat falen ook niet meer afwentelen op de voorzienigheid of God. Het is niet voor niks dat mensen nu verklaringen zoeken in het brein. ‘Ik ben nu eenmaal zo’ door mijn DNA. Of omdat er een stofje in mijn hoofd ontbreekt.”

Mark van Ostaijen

Bestuurssocioloog Mark van Ostaijen (1984) is universitair docent aan de Universiteit van Tilburg. In 2017 promoveerde hij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een proefschrift over migratie en mobiliteit in Europa. Op dit moment verricht hij stadsetnografisch onderzoek naar mensen die het verschil maken in Amsterdam Nieuw-West. Hij publiceert in diverse kranten en (vak)bladen.

'Ik doe een oproep tot nadenken'

We zijn doorgeslagen?

“Precies. We denken en doen alsof we heel individueel en autonoom zijn en daar knopen we ook allerlei verlangens aan vast. Maar dat houdt geen stand. Sociaal isolement en eenzaamheid zijn de grote problemen van deze tijd. Het is de prijs die we betalen voor ons verlangen naar autonomie en individualiteit. Neem onze hang naar onderwijs, dat beantwoordt aan dat verlangen. Iedereen moet maar hoger, verder doorstuderen, zich verder ontwikkelen. Maar die onderwijsladder werkt niet voor iedereen op dezelfde manier. Een meritocratie creëert nieuwe ongelijkheden. Tussen 2010 en 2017 zijn leerlingen met gelijke prestaties steeds vaker op verschillende niveaus terechtgekomen, concludeert de Onderwijsinspectie in haar jaarlijkse rapport ‘De staat van het onderwijs’. Groep 8-leerlingen met hoger opgeleide ouders kregen steeds hogere adviezen, leerlingen van wie de ouders maximaal een mbo 2-diploma hebben, steeds lagere. Het onderwijssysteem zorgt dus in Nederland voor sociale ongelijkheid. Een lastig verhaal, maar die zogenaamde individuele zelfontplooiing heeft zo haar grenzen.”

Waar te beginnen? Wat kan een socioloog betekenen bij grote vraagstukken als eenzaamheid, schulden en multiproblematiek?

Deze vraag wordt Van Ostaijen vaker voor de voeten geworpen. Mooie analyse, maar hoe verder? Wat gaan we morgen doen? “Ten eerste kunnen sociologen helpen om de juiste vraag te stellen. Dat lijkt een bijna een vergeten vak. Maar als we met de RVS vaststellen dat de diagnose verkeerd is, dan is de juiste vraag nogal belangrijk. We noemen al snel iets een crisis of probleem. Vervolgens gaan we meteen antwoorden en oplossingen bedenken. Maar wanneer en waarom is iets een probleem? Collectieve verwachtingen en normen bepalen wat we zien als afwijkend gedrag. Waarom vinden we een druk kind of dik persoon een probleem? Dat heeft alles te maken met de collectieve norm van zelfdiscipline. En dus moeten we die norm bespreekbaar maken. Het stellen van de juiste vraag is soms belangrijker dan het verzinnen van een steekhoudend antwoord.

Kortom, het begint met een goede analyse. Zo moet elk vraagstuk in een juiste context worden geplaatst. Neem schulden. Ten grondslag daaraan ligt een klassenverschijnsel, dat gepaard gaat met allerlei sociale achterstanden. Zo liet socioloog Godfried Engbersen al lang geleden zien dat er veel institutionele onverschilligheid is ten aanzien van armoede. Er wordt nu vaak te veel ingezoomd op het individu en vanuit de systeemwereld worden oplossingen bedachten. Zonder oog te hebben voor de dynamiek van de leefwereld van armoede en schulden.”

Leef- en systeemwereld: daarover wordt al veel gesproken in het sociaal domein. Net als over integrale aanpak, maatwerk en aandacht.

“Dit is verbale vernieuwing, waarmee de systeemwereld hernieuwd betekenis kan geven aan een bekend vraagstuk. Maatwerk? Dan gaat het over ‘samenwerken in een dossier’ of het koppelen van informatie in een case. In de praktijk gaat het dus toch vooral over de brede blik van instituties. Niet over de leefwereld zelf.

Een voorbeeld. In Amsterdam zijn gebiedsmakelaars ingesteld, bedoeld om mensen met elkaar te verbinden. Zij zijn in het leven geroepen om te beantwoorden aan het verlangen om dicht bij burgers te staan. Maar deze makelaars werken zonder stevig budget of doorzettingsmacht, dus wat gebeurt er? Ze worden links en rechts gepasseerd. Het is een institutionele structuur, onder de noemer van ‘maatwerk’. De tragiek van de goede bedoelingen. Ik zie dat ook in mijn onderzoek in Amsterdam Nieuw-West, onderdeel van internationaal vergelijkend onderzoek naar ‘best persons’ ofwel smart urban intermediaries: mensen die het verschil maken in achterstandswijken. Ik volg elf verschilmakers in de wijken Osdorp, Slotervaart en Slotermeer. Een van hen is een man die een mobiele bakkerij heeft gecreëerd met een mobiele broodoven in een omgebouwde pipowagen. Zo brengt hij mensen samen. Hij gebruikt de warmte van de oven als middel om te bouwen aan sociaal kapitaal. De mensen die ik volg, zijn slim genoeg. Zij gaan niet zitten wachten op een gebiedsmakelaar. Als je maatwerk, aandacht en samenwerking louter institutioneel wilt regelen, dan gaat het mis. De leefwereld plooit zich daar niet naar.”

'Je moet de samenleving niet op de sofa leggen'

Hoe moet het dan wel?

Fel: “Ik word zo vaak gevraagd naar een handelingsperspectief voor professionals, maar mijn pleidooi is veel meer een oproep tot nadenken. Een cognitieve interventie. Anders handelen, begint bij anders denken. Je moet de samenleving willen begrijpen, niet op de sofa leggen, want dan gaan we meteen problematiseren. Wat zijn structurele patronen van armoede, van schulden? Leg je oor te luister in de samenleving, maar ook bij de wetenschap. Er zijn genoeg mensen die zeggen wat je morgen moet doen, ik roep mensen op om zelf na te denken. Zeker professionals in het sociaal domein. Zij worden betaald om na te denken. Ze zijn wijs genoeg.”

Van Ostaijen neemt een slok koffie. Zo, dat is eruit. Bijna verontschuldigend gaat hij verder. Hij vertelt over zijn praktijkervaringen in Amsterdam. Hij ziet in wat voor spagaat zijn ‘lokale burgemeesters’ zich bevinden. Tussen korte termijn financiële prikkels en langdurige verbindingen. “Ze zijn constant sprintjes aan het trekken tijdens de marathon – en dat is destructief. De wijklogica is er een van de lange adem, vertrouwen en rust, terwijl de budgetlogica er een is van controle, beheersing en snelle zekerheid. Dat zijn botsende waarden. En dat heeft gevolgen voor de verduurzaming van sociale initiatieven.” Als hij dan toch een advies moet geven aan professionals in het sociaal domein? “Dan is dat meer regelruimte voor professionals, wat ontwikkelingspsycholoog Joke van de Zwaard en filosoof Maurice Specht de ‘filosofie van rust’ noemen, waarbij er meer ruimte is om niét te interveniëren, om niét te controleren. De gedachte is om maatschappelijke initiatieven de tijd te gunnen om te bestendigen, te verankeren en vast te klinken aan de logica van die wijken. Dat vergt lef.”

Heeft het sociaal domein interesse in dit verhaal?

“Gelukkig wel. Als we vaststellen dat we geen optelsom van individuen zijn, dan is er een verhaal nodig. Maar wie vertelt het verhaal van de civic society? Het verhaal van de markt is nu dominant. Ook in het sociaal domein. Daarom spreken we over de stadswinkel, over klanten. Nonsens. Het is geen markt van vraag en aanbod. Ik kan toch niet kiezen waar ik mijn uitkering of paspoort aanvraag? Het sociaal domein heeft een nieuw verhaal en een nieuwe taal nodig, die vertrekken vanuit andere principes. Bij de staat is het transactiemiddel macht, in de markt gaat het om geld. Maar in de civic society? Daar gaat het om vertrouwen. Het erkennen van die eigenstandige logica zorgt ervoor dat de overheid burger niet kan benaderen als ‘klanten’.”

Hoe werkt dat dan?

“Ik heb een mooi voorbeeld uit Amsterdam. Een van de mensen die ik volg is een theatermaker, hij maakt samen met mensen uit de wijk ‘community theater’. Op een open dag kwam er een buurtbewoner binnenlopen, die zelf z’n muziek had meegenomen. Het bleek snoeiharde hardcore. Die man trok z’n shirt uit en begon te dansen. De mensen om hem heen deinsden ervan terug. En wat deed de theatermaker? Hij deed hetzelfde. Hij danste mee. De buurtbewoner wist meteen dat hij welkom was. En dat is hoe het werkt. Vertrouwen. Durven dansen.”